Transparant opzeggen

Bij nagenoeg alle verzekeringen geldt dat de verzekeraar in bepaalde gevallen een opzeggingsrecht heeft. Maar hij moet de klant wel duidelijk laten weten waarom hij dat doet.

Toen ik nog niet zo lang bij een verzekeraar werkte, gebeurde het regelmatig dat een klant te horen kreeg dat de verzekering werd opgezegd om ‘verzekeringstechnische redenen’. Dat was een mooie opzeggingsgrond. Alles kon er achter schuil gaan, maar het ging natuurlijk vooral om zaken die zo vervelend overkwamen als je ze hardop zei. Denk aan de verzekerde die dronken achter het stuur zat, het (al dan niet aantoonbare) vermoeden van fraude, de inmiddels gedane ontdekking dat de verzekeringnemer zelf weliswaar niet op de zwarte lijst stond, maar haar echtgenoot wel. Of zo. Maar dat is toch wel lang geleden.

Al vele jaren gelden strengere regels voor de verzekeraar die een verzekering wil opzeggen. Natuurlijk moeten de opzeggronden in de polisvoorwaarden staan en bovendien moet de verzekeraar een gewichtige reden hebben om de verzekering op te zeggen. Vrijwel alle schadeverzekeringen bepalen dat verzekeraar en verzekeringnemer na een schademelding een opzegrecht hebben, maar voor de verzekeraar moet daar dus een extra reden bijkomen. Dat komt door de maatschappelijke gevolgen van een opzegging. De klant krijgt bij de aanvraag voor een nieuwe verzekering steevast de vraag of hem al eens een verzekering is geweigerd of opgezegd en als hij die vraag bevestigend beantwoordt, verliest de nieuwe verzekeraar ook meteen zijn enthousiasme.

Zo’n gewichtige opzegreden kan de schade-oorzaak zijn. Zo begrijp ik best dat de verzekeraar de verzekering van een bedrijfspand wilde opzeggen, nadat daar een explosief (hand- of fosforgranaat) naar binnen was gegooid met als resultaat een brandschade van meer dan een ton. Het naar binnen gooien van dat soort explosieven leidt immers tot het sterke vermoeden dat de activiteiten die in dat pand plaatsvinden, of waar in elk geval de verzekeringnemer zich mee bezig houdt, niet in de categorie vallen waarmee de verzekeraar bij het aangaan van de overeenkomst rekening had gehouden. Maar het is dan niet handig om de verzekering op te zeggen met als enige uitleg: ‘in verband met de bij de schadebehandeling geconstateerde bevindingen’.

Pas maanden later beargumenteerde de verzekeraar dat hij geen risico’s wenst te verzekeren, waarbij al dan niet voor de verzekerde bedoelde explosieven naar binnen worden gegooid. De kortgedingrechter vond dat te laat. Nu de verzekeraar de verzekering niet (deugdelijk) gemotiveerd had opgezegd, was die opzegging niet rechtsgeldig. De verzekeraar moet de verzekering met teugwerkende kracht herstellen en in stand houden zolang deze niet deugdelijk is opgezegd.

Waarschijnlijk had de verzekeraar bedacht dat de klant de niet-genoemde opzeggingsgrond ook wel zou begrijpen. Terecht waarschijnlijk. Maar als het zo begrijpelijk is: zeg het dan ook maar.

Big data? Small data lukt al niet!

Het wil maar niet lukken. Klantbelang vraagt dat je wat van je klant weet. Big data en zo. Maar dan moet je dat vervolgens wel gebruiken. Anders wordt het wel heel stompzinnig.

Een klant ontvangt een brief van zijn bank. Daarin staat dat de klant een krediethypotheek bij de bank heeft, die over 10 jaar afloopt. De klant moet het openstaande kredietbedrag dan in één keer terugbetalen. Dus daar kan de klant beter nu al over nadenken. En, oh ja: dat totale hypotheekbedrag is € 0,01. Hoe klantgericht is dat?

De bank, ook deze bank, heeft een ICT-systeem. Regelmatig kunt u lezen dat deze bank vindt dat zij voorop loopt in de digitale wereld. Blockchain, big data, algoritmes; u noemt het en zij heeft het, doet het en gebruikt het. Maar toch speelt de bank het niet klaar om 2 eenvoudige gegevens aan elkaar te koppelen: (1) heeft de klant een krediethypotheek en (2) staat er nog een serieus saldo open? Zelfs met een ouderwetse kaartenbak (bent u jonger dan 40? Vraag even aan een oudere collega wat een kaartenbak is) was een dergelijke koppeling geen probleem.

De waarschuwingsbrief bevat ook verder enkele mededelingen die duidelijk maken dat niemand de moeite heeft genomen om te kijken naar de situatie van de klant. Zo wordt de fiscale situatie beschreven voor het geval de hypotheek na 2001 is gesloten of gewijzigd, terwijl de bank weet (nou ja: hoort te weten) dat de hypotheek vóór 2001 is gesloten en nooit gewijzigd. Ook wordt gewezen op een mogelijke inkomensdaling bij de pensioendatum. Maar uit de geboortedatum van deze klant (die heeft de bank natuurlijk ook) blijkt dat dát risico de komende 10 jaar echt nul is. Kortom: een onzinbrief.

Maar wel heel vriendelijk hoor. Er wordt een ‘gratis’ check aangeboden en een kosteloos telefonisch informatiegesprek. Ik begrijp van de klant dat die daar geen gebruik van gaat maken. Eigenlijk liet de klant weten dat zijn vertrouwen in deze bank weer wat minder is geworden. ‘Geldt daar een verbod op zelf denken?’ en ‘In ieder geval denken zij daar niet na over de klant en over wat ze aan het doen zijn?’

De klant liet ook nog weten dat de bank het mis heeft: het openstaande saldo is niet € 0,01. De hypotheek is geheel afgelost. Maar de hypotheek is nooit doorgehaald, want, aldus de klant ‘dat levert mij alleen maar nadelen op’. Maar kennelijk kan de bank (zo u wilt: het systeem) het uitstaande saldo alleen op € 0,00 zetten als de hypotheek wel wordt doorgehaald.

Tip voor de bank: met een kaartenbakkenkaart kan dat wel.

Kifid bedenkt zich terecht

De Commissie van Beroep van Kifid legt uit waarom de Wft geen basis is voor onbeperkt gratis financieel advies.

Er was veel gedoe over enkele uitspraken van de Geschillencommissie van het Kifid uit 2019. Daarin werd gesteld dat een adviseur/bemiddelaar een doorlopende plicht zou hebben om de klant te wijzen op premieverlagingen in de levensverzekeringsmarkt. Die plicht zou óók bestaan als de klant en de adviseur daarover géén afspraken zouden hebben gemaakt. En – zo voeg ik er even aan toe – als de klant voor een dergelijke doorlopende dienstverlening ook niet betaalde. De Geschillencommissie vond dat dat voortvloeide uit art. 4:20 Wft. Dat was merkwaardig, omdat diezelfde Geschillencommissie bij andere financiële producten dan overlijdensrisicoverzekeringen had geoordeeld dat een dergelijke plicht niet rustte op de aanbieder. En die informatieplicht van art. 4:20 Wft rust juist primair op de aanbieder. Daarmee creëerde de Geschillencommissie dus tegelijk een ongelijk speelveld tussen aanbieders en bemiddelaars.

Maar goed: de Commissie van Beroep legt het goed uit. De informatieplicht van art. 4:20 Wft behelst uitsluitend informatie over het specifieke product dat de klant heeft afgesloten. Als daarin relevante wijzigingen komen, moet de aanbieder of bemiddelaar de klant daarop wijzen. Een verdergaande adviesplicht bestaat alleen als daarover tussen de klant en die (bemiddelaar, aanbieder of) adviseur afspraken zijn gemaakt. En daar kan die (bemiddelaar, aanbieder of) adviseur natuurlijk een vergoeding voor bedingen. Goed advies is immers geld waard.

De Commissie van Beroep hanteert daarmee precies de argumenten die u mogelijk al had gelezen in het artikel ‘Zorgplicht-en-overlijdensrisicoverzekeringen’ in de Beursbengel van oktober 2019. Met deze gecorrigeerde beslissing lost het Kifid veel praktische problemen op.

Ja, natuurlijk blijft het van belang dat een adviseur ook tijdens de looptijd van een financieel product de vinger aan de pols houdt. Niet alleen omdat premieniveaus kunnen wijzigen, maar vooral omdat financiële producten vaak een lange looptijd hebben. Soms zelfs levenslang. Tijdens zo’n looptijd kunnen de omstandigheden aan de zijde van de klant sterk wijzigen. Daardoor kan de behoefte aan een financieel product wijzigen. Soms wegvallen. Soms leiden tot de noodzaak andere, uitgebreidere producten aan te schaffen. Maar in hoeverre die noodzaak bij een individuele klant bestaat, waaruit die doorlopende adviesplicht dan bestaat en hoeveel die klant bereid is daarvoor te betalen behoort tot het vrije domein van partijen. Adviseur en klant behoren daarover zelf duidelijke afspraken te maken.

Mooi dat de Commissie van Beroep het evenwicht tussen partijen – en tegelijk het gelijke speelveld tussen aanbieders en bemiddelaars – heeft hersteld.

Waarom erkent Kifid de klacht niet?

Elke advocaat en elke rechter kan u vertellen: de erkenning dat iemand onrecht is aangedaan, is voor betrokkene vaak belangrijker dan een schadevergoeding. Daarom is het jammer dat Kifid daar zo zuinigjes mee omspringt.

Tot 2006 kende het verzekeringsbedrijf een Raad van Toezicht. Die Raad kende maar één maatstaf waar hij zijn oordelen op baseerde: bepalend was of de verzekeraar ‘de goede naam van het verzekeringsbedrijf had geschaad’. Alleen als dat zo was, dan was de klacht gegrond. Anders dan nu Kifid (of een rechter) oordeelde die Raad dus niet of hij het met het standpunt van een verzekeraar eens was, maar alleen of dat standpunt ‘in rechte verdedigbaar’ was. Uitspraken hadden groot gezag.

Ik zou Kifid niet graag voor die oude Raad van Toezicht inwisselen. Daarvoor ben ik veel te blij met de ruimere bevoegdheden van Kifid, die wel mag beslissen over schadevergoedingen als zij vindt dat een financiële dienstverlener onjuist heeft gehandeld. Maar dat gezegd hebbend: ik vind het jammer dat Kifid zich bij zijn uitspraken nagenoeg uitsluitend laat leiden door de vraag of de klager financieel nadeel heeft geleden. Het begrip ‘klacht’ is tenslotte ruimer dan het begrip ‘vordering’. En de ‘k’ van Kifid staat toch echt voor …, ach: u weet het wel.

Toen een jaar of dertig geleden gewerkt werd aan een nieuw verzekeringsrecht, werd besloten daarin een bepaling op te nemen dat een erkenning van feiten geen reden voor een aansprakelijkheidsverzekeraar mocht zijn om dekking te weigeren. Zelfs een erkenning van aansprakelijkheid mag geen reden zijn dekking te weigeren, als blijkt dat die erkenning terecht is. Die bepalingen hadden een achtergrond. Vooral in de medische sector was het adagium: ‘nooit toegeven als je iets fout hebt gedaan, want dat mag niet van je aansprakelijkheidsverzekeraar. Als je dat toch doet, kun je geen rechten meer ontlenen aan je aansprakelijkheidsverzekering’. Overigens, ook elke autobestuurder leerde: ‘geen fout toegeven, want dat mag niet volgens de polisvoorwaarden’.

Zo klantonvriendelijk als artsen en autobestuurders dachten zijn verzekeraars volgens mij nooit geweest, maar dat neemt niet weg dat die gedachte wel degelijk bestond. En zeker bij medische aansprakelijkheid een hindernis voor de schaderegeling bleek. En vaak nog blijkt, want misverstanden en vooroordelen zijn hardnekkig. De patiënt wil vooral horen dat de arts een fout toegeeft en die arts duikt. Dat werkt leedverhogend. Daarom kwamen dus die nieuwe bepalingen in het verzekeringsrecht. Ik heb dat wel eens aan artsen uitgelegd en die blijken steevast stomverbaasd dat zij echt eerlijk tegen hun patiënten mogen zijn als zij een fout hebben gemaakt.

Terug naar het Kifid. Soms hebben klagers alleen klacht. En soms constateert Kifid zelf dat de financiële dienstverlener niet heeft gehandeld zoals je van een financiële dienstverlener mag verwachten. Excuses kun je niet afdwingen; afgedwongen excuses zijn niet veel waard. Maar Kifid kan wel vaststellen dat het behoorlijk zou zijn geweest als de financiële dienstverlener excuses zou hebben aangeboden. Ik wil er voor pleiten dat Kifid dat duidelijker in zijn samenvattend eindoordeel verwerkt. Er staat niets in het reglement van Kifid dat verhindert dat zij ook een dergelijke tuchtrechtuitspraak doet.

Daarmee doe je ook meer recht aan de klager, die alleen maar wil horen dat zijn klacht terecht is.

Dubbele PE-toetsing: onzinnig en onnodig!

Wat is eigenlijk het nut van 2 keer dezelfde Wft-PE moeten doen? Nou ja, omzet voor het CDFD natuurlijk. Hypotheekadviseurs – en hun werkgevers – verspillen tijd en betalen de rekening.

Vanaf 1 april 2019 mag elke hypotheekadviseur ook in consumptieve kredieten adviseren. Daar valt veel voor te zeggen. Wat mij betreft had een heel beperkte aanpassing van de toetstermen voor het moduul Hypothecair krediet daarvoor volstaan. Niet alleen omdat in Basis ook al het nodige staat over consumptief krediet, maar vooral omdat consumptief krediet niet zo ingewikkeld is. Ja, er waren en er zijn misstanden en onwenselijke situaties op het gebied van consumptief krediet. Maar die hebben nooit met vakbekwaamheid te maken. Die gaan over integriteit en onwenselijk gedrag. Denk aan flitskredieten, (te) hoge rentepercentages en het opzoeken van de grens van wat nog net niet verboden is (webwinkels).

Maar CDFD koos niet voor zo’n beperkte aanpassing. In plaats daarvan zijn letterlijk alle toetstermen van consumptief krediet aan hypothecair krediet toegevoegd. Met als gevolg dat alle toetstermen voor het diploma Adviseur consumptief krediet nu ook deel uitmaken van het diploma Adviseur hypothecair krediet. En alle PE-toetstermen voor consumptief krediet ook deel uitmaken van de PE-toetstermen voor hypothecair krediet.

Vervolgens gebeurt er iets dat apert onredelijk is. Er zijn zo’n 18.000 hypotheekadviseurs die beide Wft-diploma’s hebben. Begrijpelijk, want tot 1 april 2019 was het bezit van beide diploma’s vereist om in beide kredietvormen te mogen adviseren. Maar als die 18.000 diplomahouders de adviesbevoegdheid van beide diploma’s willen behouden, dan moeten zij voor beide diploma’s apart het PE-examen afleggen. En dus worden zij dan bij hun PE-examen voor consumptief krediet voor een tweede keer getoetst over exact dezelfde toetstermen waarover zij getoetst worden bij het PE-examen voor hypothecair krediet. Verspilde tijd, moeite en geld.

Het CDFD stelt dat die 18.000 het PE-examen consumptief krediet niet hoeven te doen. Want: met alleen het diploma Adviseur hypothecair krediet mogen zij nu ook in consumptief krediet adviseren. Dat is waar, maar tegelijk een strikt bureaucratisch argument. Medewerkers willen een behaald diploma geldig houden, zeker als dat recent behaald is. Tenslotte kun je de rest van je leven niet overzien. Misschien ben je over een paar jaar geen hypotheekadviseur meer, maar wil je nog wel in consumptieve kredieten blijven adviseren. Onzinnig om daarvoor dan de rest van je leven de PE voor hypotheekadviseurs te moeten blijven doen.

Er is maar één kleine administratieve handeling nodig om deze onzinnige situatie te beëindigen: laat DUO de PE voor hypothecair krediet meteen noteren als de PE voor consumptief krediet. De regelgeving ligt niet in de weg.

Maar ja, deze onzinnige situatie levert wel extra omzet voor CDFD. Trouwens ook voor opleidings- en exameninstituten. Even voor NIBE-SVV sprekend: op dit soort omzet zitten wij niet te wachten.

Naast boetes bestaan ook gevoelsboetes

Hoe komt het toch dat veel financiëledienstverleners denken dat de AFM veel boetes uitdeelt, terwijl dat niet of nauwelijks het geval is? Kennelijk heb je naast gevoelstemperatuur ook gevoelsboetes.

Afgelopen maandag hebt u naar een NIBE-SVV-webinar over zorgplicht kunnen kijken. Misschien hebt u dat ook wel gedaan, want meer dan 800 deelnemers hadden zich aangemeld. (Als u het gemist hebt, u kunt het webinar binnenkort terugkijken via nibesvv.nl). Tijdens dat webinar werd aan de kijkers gevraagd: ‘hoeveel boetes denkt u dat de AFM dit jaar heeft uitgedeeld in verband met het niet-nakomen van de zorgplicht?’. De kijkers mochten kiezen uit drie antwoorden: nul boetes, 3 boetes of 12 boetes. Een ruime meerderheid koos voor 12 boetes. Het juiste antwoord (14%) was nul boetes. Maar het gevoel bij 86% van de financieeldienstverleners is dus anders. Hoe komt dat?

Mijn inschatting is dat veel financieeldienstverleners het thema ‘zorgplicht’ volledig toeschrijven aan de Wft. Elke keer als een rechter of Kifid oordeelt dat in een bepaalde situatie de zorgplicht niet (of niet behoorlijk) is nagekomen, voelt dat voor veel financieeldienstverleners als een rechtstreekse consequentie van de Wft.

Maar zorgplicht en Wft hebben niet zo veel met elkaar te maken als vaak gedacht wordt. Zorgplicht is meestal: gewoon je werk als financiëledienstverlener fatsoenlijk verrichten. Want dat is nou eenmaal de taak van een professionele dienstverlener. Daar mag de klant op rekenen, daar betaalt hij (linksom of rechtsom) voor. Inderdaad: in de Wft worden enkele, eigenlijk vanzelfsprekende minimumeisen aan die zorgplicht gesteld (zoals: je moet je klant informeren over wat je eigenlijk aanbiedt). Maar verreweg de meeste zorgplicht die een financieeldienstverlener heeft, vloeit niet voort uit de Wft, maar uit zijn contractuele relatie met de klant. Advies, bemiddeling en begeleiding tijdens de looptijd beloven is niet vrijblijvend. Belofte maakt schuld.

Uitspraken van rechters en Kifid gaan bijna altijd om die contractuele zorgplicht, niet om de Wft-zorgplicht. Het gaat daarmee ook niet om boetes, maar om schadevergoedingen, omdat er ergens iets fout ging. Zo’n zorgplichtfout kost de financiëledienstverlener vaak geld. Dat voelt kennelijk als een boete van de AFM.

De AFM kijkt wel uit met het snel geven van boetes. Veel te omslachtig en nauwelijks effectief als het om gedragsverandering gaat. Daar zijn ze aan de Vijzelgracht veel te slim voor.

Hoop doet leven

Ook tijdens de tweede Wft-PE-cyclus blijkt dat – zacht gezegd – niet iedereen gelukkig is. Niet met het stelsel, niet met de omvang en al helemaal niet met de verplichte examens. Dus blijft er kritiek komen. Want hoop doet leven. Ik denk niet dat het helpt.

Vooropgesteld: het Wft-vakbekwaamheidsstelsel is niet ideaal en dat geldt ook voor de Wft-PE. Dus kan ik me goed voorstellen dat er vanuit verschillende beroepsgroepen gepleit wordt voor een andere inrichting. Zoals: ‘hetzelfde onderwerp komt voor bij verschillende PE-examens’ of ‘stel onze achterban vrij van de Wft-PE, want wij kunnen het veel beter en gerichter zelf’. Dat eerste lijkt mij niet te vermijden (zowel de Adviseur schade zakelijk moet de AVG kennen als de Adviseur pensioen, dus als je beide diploma’s hebt, kun je dat onderwerp twee keer tegenkomen), maar dat tweede is vaak waar. Daar zit ook precies het probleem.

Het huidige Wft-stelsel beoogt een minimum vakbekwaamheidsnorm voor beginnende beroepsbeoefenaren te zijn. En die norm op peil te houden. Het stelsel is niet bedoeld om van iedere beroepsbeoefenaar een specialist te maken. Specialisten zijn wel nodig, en gelukkig zijn die er ook, maar specialismen zijn het terrein van individuele beroepsbeoefenaren, daarin ondersteund en daartoe aangemoedigd door hun beroepsorganisaties. Die inderdaad, de een meer dan de ander, vaak buitengewoon nuttige PE-activiteiten voor hun achterban organiseren.

Maar als je beroepsgroepen gaat vrijstellen van de Wft-PE doet zich al snel de vraag voor: wie selecteert welke beroepsgroep voor vrijstelling in aanmerking komt? En daarna: wie houdt in de gaten of die specifieke beroepsgroep inderdaad voldoende aan PE doet? En natuurlijk ook of inderdaad alle leden van die beroepsgroep die PE daadwerkelijk hebben gevolgd èn of het beoogde leerresultaat in voldoende mate is bereikt? Dat vraagt om accreditatienormen en toezicht. Accreditatienormen en toezichtsystemen die per beroepsgroep variëren. Dat is niet ondenkbaar, maar dat is heel duur. Veel duurder in elk geval dan het huidige stelsel.

Want, dat accreditatie- en toezichtstelsel zou wettelijk geregeld moeten worden. Het gaat tenslotte om een vrijstelling van een wettelijke verplichting. Ongeacht of je die taak bij het CDFD of bij een ander overheidsinstituut neerlegt: dat moet worden betaald. Tegelijk is er een nevengevolg: als bepaalde beroepsgroepen worden vrijgesteld, en andere financiëledienstverleners dus niet, blijven er (veel?) minder gegadigden over voor de gewone Wft-PE-examens. Maar de kosten om die examens te maken worden daardoor niet lager. De vrijstelling voor de een betekent dus een (flinke?) tariefsverhoging voor de ander. De vraag is of de markt daarop zit te wachten.

Dus ja, voor een aantal beroepsgroepen zijn absoluut betere systemen denkbaar. De vraag is of je het moet willen. Zo duur is het huidige stelsel niet en zoveel tijd kost het ook niet: één PE-voorbereiding en één PE-examen per Wft-diploma in een periode van drie jaar. Elk alternatief is duurder, zowel voor degenen die voor een vrijstelling in aanmerking zouden kunnen komen als voor degenen die dat niet kunnen.

Ik begrijp dat er financiëledienstverleners zijn die zo lang mogelijk wachten met het afleggen van een PE-examen in de hoop dat het straks niet meer moet. Ja, hoop doet leven en natuurlijk: je hebt toch nog ruim twee jaar de tijd. Maar dié hoop is niet terecht.

Het interview met Wopke Hoekstra

Mooi interview van am:web met Wopke Hoekstra. Over de actieve provisietransparantie, over het onderscheid tussen de verschillende soorten adviseurs en over het dienstverleningsdocument. Het interview maakt ook duidelijk dat het grootste probleem zit verscholen in de verwarring tussen provisie en distributiekosten.

De minister vindt het van belang dat ‘een consument weet wat hij aan zijn tussenpersoon heeft’. Er zijn weinig tussenpersonen die daar anders over zullen denken, maar daar zit juist de pijn. Want een assurantieadviseur beschouwt de provisie helemaal niet alleen als een vergoeding voor zijn bemiddeling bij de distributie. Het is vooral een vergoeding voor zijn al dan niet onafhankelijke advisering. En daarom gaat de vergelijking met het kopen van een pak suiker in de supermarkt niet op. Die supermarkt kent het fenomeen doorlopende provisie ook niet, want bij de eenmalige verkoop houden haar verplichtingen op. De assurantieadviseur daarentegen heeft een doorlopende zorgverplichting, die heel wat uitgebreider is dan de zorgverplichting van de direct writer.

Vanuit het perspectief van een verzekeraar zal ‘provisie’ vast synoniem zijn voor ‘distributiekosten’, vanuit het perspectief van een assurantieadviseur ligt dat anders. Niet alleen emotioneel; óók juridisch. Die assurantieadviseur heeft immers volgens vaste jurisprudentie ‘een voortdurende en actieve bemoeienis met alle tot zijn portefeuille behorende verzekeringen’ en een ‘waarschuwingsplicht voor financiële risico’s die de klant mogelijk niet ziet’. Vergelijk dat maar eens met een direct writer of een internetvergelijker, die – ik chargeer maar een beetje – verkoopbevorderende informatie op zijn website zet en tegen de klant zegt: ‘kijk eens wat je allemaal kunt kopen, maar beoordeel vooral zelf welke producten het meest passend voor je zijn’. En die na de verkoop geen verplichtingen heeft om te bekijken of de situatie van de klant wijzigt tijdens de looptijd van de verzekering.

Daarom helpt het ook niet als aan actieve provisietransparantie de verplichting wordt gekoppeld dat direct writers transparant moeten zijn over hun distributiekosten. Om de vergelijking met de supermarkt nog even te gebruiken: je gaat dan toch de prijs van wat bij elkaar gegraaide levensmiddelen vergelijken met de prijs van een uitgeserveerd diner in een restaurant.

Niet alle assurantieadviseurs bieden hun klanten identieke dienstverlening. Dat hoeft ook niet. Zoals de klant een voorkeur kan en mag hebben voor een bepaalde dienstverlening, kan en mag een tussenpersoon ook zelf beslissen welke dienstverlening hij aanbiedt. En omdat de minister het terecht van belang vindt dat ‘een consument weet wat hij aan zijn tussenpersoon heeft’, is het goed als die tussenpersoon dat vooraf duidelijk met de klant afspreekt. Een uitgewerkte overeenkomst van opdracht dus. Met algemene voorwaarden en door de klant te tekenen opdrachtbevestiging. (Nee, dat is niet rendabel voor alleen een AVP-tje, maar je moet je afvragen of je alleen assurantieadviseur voor het AVP-tje van je klant wilt zijn.)

En als het de minister ernst is met de gedachte dat de adviesbranche ‘ontzettend belangrijk werk doet’ kan hij een bepaling in de Wft opnemen die direct writers en andere verkopers-zonder-advies verplicht tot het opnemen van de volgende waarschuwing: ‘Let op: u koopt dit financiële product zonder advies. Dat kan financieel nadelige gevolgen voor u hebben.’

Een onvoorzien vervolg op het Arena-arrest

Kan een AVB-verzekeraar de verzekeringsadviseur van zijn verzekerde aansprakelijk stellen, omdat deze verzekeringsadviseur de verzekerde geen schadeverzekering voor inzittenden (SVI) heeft geadviseerd? En kun je de vraag ook min of meer omdraaien: schendt de verzekeringsadviseur zijn zorgplicht door juist wel een SVI te adviseren?

Op de eerste vraag antwoordde de rechtbank vorige maand ontkennend. Daarom is de tweede vraag interessant. Om uw geheugen op te frissen neem ik u even heel kort mee terug naar het Arena-arrest en, vooral, naar latere rechtspraak. In het Arena-arrest oordeelde de rechter dat werkgevers ook een zorgplicht hebben voor werknemers die aan het verkeer deelnemen. Want die werknemers kunnen ook letsel oplopen door hun eigen fouten. De werkgever heeft de zorgplicht daar een voorziening voor te treffen. Doet hij dat niet, dan is hij, de werkgever, aansprakelijk. Sindsdien adviseren veel verzekeringsadviseurs hun klanten SVI’s, Wegam-polissen of 7:611-clausules. Maar minder bekend is het latere oordeel van de Hoge Raad dat deze uit 7:611 BW voortvloeiende aansprakelijkheid (ook) onder de AVB is gedekt.

Terug naar de uitspraak van vorige maand. Een verzekeringsadviseur had zijn bedrijfsklant niet geadviseerd een SVI (of gelijkwaardig) te sluiten. Dat kwam omdat die verzekeringsadviseur niet wist dat de klant enkele auto’s had geleased, waarbij de klant de bijbehorende verzekeringen geheel aan de leasemaatschappij had overgelaten. Vervolgens liep een medewerker van het bedrijf door haar eigen fout ernstig letsel op. Zij stelde haar werkgever aansprakelijk en omdat die werkgever dus geen voorziening voor dit soort schade had getroffen, is hij aansprakelijk. Omdat er geen SVI (of gelijkwaardig) is, betaalde de AVB-verzekeraar van het bedrijf deze schade.

Vervolgens wil die (gesubrogeerde) AVB-verzekeraar die schade op de verzekeringsadviseur verhalen. Want, aldus de AVB-verzekeraar, als die verzekeringsadviseur zijn zorgplicht goed had vervuld, had hij gezorgd voor ‘een adequate verzekering’ voor schade aan werknemers in het verkeer. Dan was de werkgever niet aansprakelijk geweest op grond van art. 7:611 (want dan had hij wel een voorziening getroffen voor zijn medewerkers) en dan had de AVB-verzekeraar niet hoeven te betalen. De rechtbank vindt dat de verzekeringsadviseur zijn zorgplicht niet heeft geschonden. Die zorgplicht gaat volgens de rechtbank niet zover dat de verzekeringsadviseur ook had moeten vragen naar verzekeringen die de klant buiten hem, de verzekeringsadviseur, om heeft laten sluiten. In die conclusie kan ik me wel vinden. Toch sluit ik een hoger beroep niet uit.

Maar het roept bij mij wel die tweede vraag op. Die AVB-verzekeraar betaalde niet uit coulance of zo, maar gewoon omdat deze aansprakelijkheid van de klant volgens de Hoge Raad onder de dekking van de AVB valt. Natuurlijk weet een vakbekwame verzekeringsadviseur dat ook. Waarom zou die verzekeringsadviseur de klant dan adviseren een SVI (of gelijkwaardig) te sluiten? De zorgplicht van de verzekeringsadviseur is er om te waken voor de financiële belangen van zijn klant. En niet om te waken voor de financiële belangen van een AVB-verzekeraar.

Kortom: is het niet in strijd met de zorgplicht om de klant een extra verzekering te adviseren, die de klant wel geld kost, maar geen extra dekking oplevert?

De spagaat van provisiebepalingen

Soms lijkt de Wft te verplichten tot verboden beloningen. Of tot een verbod op producten die voor een klant juist heel zinvol kunnen zijn. Dat komt door de spagaat in provisiebepalingen.

Stel: ik wil een consumptief krediet van € 25.000,- met een looptijd van enkele jaren. Mijn adviseur komt met een aanbieding voor een dergelijk krediet. Hij vertelt mij dat deze aanbieding het voordeel biedt dat bij overlijden de restschuld volledig wordt kwijtgescholden. Als ik alleenstaand ben, maakt mij dat misschien niet uit; als ik een gezin, kinderen en een hypotheek heb misschien wel. Maar de vraag is of dit product wel mag van de Wft. Voor de goede orde: het product bestaat al geruime tijd.

Het probleem zit in de provisie. Of liever: in de provisieregels van de Wft. Bij consumptief krediet is alleen doorlopende provisie van de aanbieder toegestaan. Aan de klant mogen voor advisering en/of bemiddeling in consumptief krediet geen kosten in rekening worden gebracht. Bij overlijdensrisicoverzekeringen is het juist andersom. De aanbieder mág geen provisie geven; aan de klant moeten advies- en/of distributiekosten in rekening worden gebracht.

Het product in mijn voorbeeld is een combinatie van een consumptief krediet (doorlopende provisie móet) en een overlijdensrisicoverzekering (provisie verboden). Los dat maar eens op. Voor zover ik kan nagaan, ‘lost’ de aanbieder van dit product het probleem op door het geheel als consumptief krediet te beschouwen. Dus: doorlopende provisie te betalen. Daar kan ik wel begrip voor hebben. Maar de vraag is of het mag.

De AFM lijkt het probleem op haar website een beetje te omzeilen. Enerzijds wordt vastgesteld dat er inderdaad twee verschillende beloningssystemen zijn en dat bij consumptief krediet géén directe vergoeding aan klanten gevraagd mag worden. Anderzijds staat een paar regels verder: ‘Voor de werkzaamheden op het gebied van bijverzekeringen mag u wel een directe vergoeding in rekening brengen bij de klant.’ Let op het woordje ‘mag’ in de voorgaande zin. Dat suggereert dat het niet hoeft. Dat adviseurs ook ‘gratis’ advies- en bemiddelingsdiensten aan de klant verlenen. Wat natuurlijk onzin is. ‘There is no such thing as a free lunch’.

Dat weet de AFM ook. Want enkele regels lager verordonneert de AFM (geheel terecht overigens!): ‘Het dienstverleningstraject voor het consumptief krediet en het traject voor de bijverzekeringen dienen duidelijk van elkaar te worden gescheiden.’ Maar ja, hoe kun je een dergelijke scheiding volhouden als het gaat om de bemiddeling/advisering van een samengesteld product? De prijs (premie) voor de overlijdensrisicoverzekering is natuurlijk verdisconteerd in de kredietvergoeding. De kredietvergoeding is weer leidend voor de hoogte van de doorlopende provisie.

Kortom: er blijft een spagaat in de provisiebepalingen, die lijkt op de oude veiligheidsmaatregelen bij de spoorwegen. (Eén medewerker moet continu opletten of er een trein aankomt en alsdan op een fluitje blazen. Maar tegelijk moeten alle medewerkers gehoorbeschermers dragen om gehoorbeschadiging te voorkomen.)