Beleidsregel Geschiktheid mist een vrouwenquotum

DNB en AFM hebben een gewijzigde Beleidsregel Geschiktheid ter consultatie aan de markt voorgelegd. Wat ik daarin mis is een vrouwenquotum.

De Beleidsregel Geschiktheid 2012 vormt het toetsingskader voor beleidsbepalers van financiële ondernemingen. De beleidsregel is ingevoerd na de bankencrisis, toen bleek dat die crisis mede was veroorzaakt doordat bepaalde beleidsbepalers eigenlijk niet zo ‘geschikt’ waren voor hun functie. Door een gebrek aan deskundigheid, belangentegenstellingen met andere functies, te weinig tijd voor een goede functie-uitoefening, maar zeker ook vanwege een te hoge neiging tot het nemen van risico’s. Aanpassing van de Beleidsregel is onder meer nodig om veranderingen in nationale en Europese wetgeving te verwerken.

Het zou mooi zijn als in de uiteindelijk gewijzigde Beleidsregel ook een vrouwenquotum wordt opgenomen. Al jaren blijft het aantal vrouwen in de top van financiële ondernemingen achter bij wat maatschappelijk als wenselijk wordt beschouwd. Nu is dat in andere sectoren in onze maatschappij ook het geval (en zo triest als bij de TU Eindhoven is het bij de meeste banken en verzekeraars nog net niet) maar juist in de financiële dienstverlening is er veel voor te zeggen dat ook de toezichthouders hier een taak hebben. Want één van de oorzaken dat de Beleidsregel Geschiktheid is ingevoerd, is toch juist dat het mannenwereldje dat de topfuncties uitoefent teveel haantjesgedrag vertoonde.

Belangrijke eigenschappen die gemiddeld genomen aan vrouwen worden toegeschreven, kunnen daar verandering in brengen. Denk aan wat meer risicoavers gedrag, zorgzaamheid en beter naar elkaar luisteren in plaats van alleen het eigen gelijk nog eens uitleggen. Maar dergelijk gedrag komt alleen tot zijn recht als het aantal vrouwen in die top niet ondergesneeuwd blijft. En ook om het gevaar te voorkomen dat de spaarzame vrouwen die er zijn, teveel mannengedrag gaan vertonen. Want mensen die in een groep functioneren (ongeacht of het mannen of vrouwen zijn) passen zich altijd in zekere mate aan de groepsnormen aan.

Hoewel het bij de toetsing van nieuwe beleidsbepalers altijd om het individu gaat, speelt de samenstelling van het team waarin dat individu moet functioneren een belangrijke rol. Daarom zegt het aftoetsen op het thema ‘geschiktheid’ van een beleidsbepaler niets over zijn of haar uiteindelijke kwaliteiten. Ook een voortreffelijke beleidsbepaler kan worden afgetoetst, simpel omdat hij niet past in het team of daaraan alleen kwaliteiten toevoegt die al in ruime mate aanwezig zijn. (Bij het aftoetsen op betrouwbaarheid ligt dat natuurlijk anders; dat kleeft wel aan.)

Kortom: het is nog een consultatievoorstel. Ik pleit voor een vrouwenquotum. Er lopen ruim voldoende heel geschikte vrouwen rond in deze branche.

Advertenties

Het niet zo bijzondere PE-examen

Veel gedoe om niets. Als er al iets opvalt aan de bijzondere PE-examens is dat ze niet bijzonder zijn. Het zijn gewone PE-examens. Met iets meer vragen, dat wel.

Iedereen die zijn PE-examen heeft gemist, kan met een bijzonder PE-examen zijn adviesbevoegdheid weer herstellen. Dat bijzondere PE-examen heeft twee effecten: (1) het maakt het missen van het vorige PE-examen goed en (2) het geldt tegelijk als PE-examen voor de lopende PE-periode. Vanwege dat dubbele effect is steeds de veronderstelling geweest dat het bijzondere PE-examen op een langere periode zou zien dan de normale driejaarsperiode. Ten minste 4 jaar, misschien wel 5 of 6 jaar. En in de toekomst (als een diplomahouder meerdere PE-periodes gemist kan hebben) misschien nog wel langer.

Maar dat blijkt niet het geval. Ook het bijzondere PE-examen heeft uitsluitend betrekking op ontwikkelingen uit de laatste drie jaar. Dat blijkt althans als je de eind- en toetstermen van beide soorten examens vergelijkt. Dat was natuurlijk niet de bedoeling van de wetgever. In de Nota van Toelichting bij het BGfo stond nog (terecht!): ‘Het bijzonder examen zal bestaan uit examenvragen die zien op de actualiteiten vanaf het laatst behaalde PE examen van de persoon in kwestie.’ Maar als het niet gaat om de periode waarover vragen worden gesteld: wat is er dan bijzonder aan het bijzondere PE-examen?

In elk geval ook niet dat de bijzondere PE-examens naast K/B-vragen (kennis- en begripsvragen) ook V/C-vragen (vaardigheden-/competentievragen) omvatten. Daartegen protesteerde weliswaar de Canongroep (de gezamenlijke intermediaire organisaties), maar kennelijk hebben die organisaties over het hoofd gezien dat óók de gewone PE-examens al V/C-vragen omvatten. Het bijzondere PE-examen omvat geen andere vragensoorten dan de gewone PE-examens. Maar als het verschil niet zit in de periode en de onderwerpen waarover de vragen gaan en ook niet over het soort vragen: wat maakt een bijzonder PE-examen dan bijzonder?

Het antwoord blijkt te zitten in het aantal vragen. Het bijzondere PE-examen omvat enkele V/C-vragen méér dan het gewone PE-examen. Niet heel veel meer, maar een beetje meer. En daarvoor krijgt de deelnemer dan ook nog 50% meer examentijd. Maar de deelnemer krijgt geen vragen over onderwerpen die hij gemist heeft, omdat hij een PE-periode heeft overgeslagen. Oók niet als die onderwerpen van belang zijn voor zijn rol als adviseur.

Ongetwijfeld maakt dit het beheer van de examenbank een stuk makkelijker. Maar de gedachte dat een bijzonder examen enige extra bescherming biedt voor de consument is een illusie. En dat is dan weer best bijzonder.

Rammelende PE-regels

Dat de PE-regeling voor de Wft-diploma’s rammelt, was al duidelijk bij de invoering van het nieuwe vakbekwaamheidsstelsel in 2014. Maar nu de eerste PE-periode op 1 april 2019 is afgesloten, is dat rammelen ook echt praktijk geworden.

Stel: een hypotheekadviseur heeft niet tijdig zijn PE-examen gehaald. Dan heeft hij twee mogelijkheden. Ofwel hij behaalt (op zijn vroegst eind juni) het bijzondere PE-examen, ofwel hij behaalt alle drie initiële modules (Basis, Vermogen en Hypothecair krediet) opnieuw. Maar vergelijk dat nou eens met de Adviseur vermogen die zijn PE-examen niet heeft behaald. Die heeft ook de keus van het bijzondere PE-examen of de initiële examens Basis en Vermogen opnieuw, maar die heeft nog een derde optie: het initiële examen Hypothecair krediet of – naar keuze – het initiële examen Pensioen. In beide gevallen ontvangt hij een geheel nieuw diploma (Adviseur hypothecair krediet resp. Adviseur pensioen). Dat zijn ‘adviseur-vermogen-kennis’ inmiddels is verouderd, speelt geen rol. Hij heeft dus een onredelijk voordeel op degene die naast die modules Basis en Vermogen óók Hypothecair krediet of Pensioen had behaald.

Nog vreemder wordt het als iemand in 2014 de modules Vermogen en Hypothecair krediet heeft behaald. Omdat Basis mist, heeft dat geen diploma opgeleverd. Maar dus ook geen PE-plicht. Als deze deelnemer, ik noem maar wat, op 1 april 2028 alsnog zijn Basis haalt, krijgt hij het diploma Adviseur hypothecair krediet. Dat zijn kennis van Vermogen en Hypothecair krediet (nu al, maar dan nog veel meer) hopeloos verouderd is, is kennelijk geen beletsel om hem een diploma te geven, waarmee hij tot 31 maart 2033 (!) van overheidswege adviesbevoegd is. Je zult als klant maar bij zo’n adviseur terecht komen. Ja, natuurlijk: er is ook nog zoiets als de ‘open-norm-vakbekwaamheid’, maar als de wetgever dat serieus voldoende maatstaf vindt, is het hele diplomastelsel overbodig.

Deze onwenselijke en onredelijke situatie is ontstaan in de aanloop naar het nieuwe stelsel. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat de PE-plicht gekoppeld zou worden aan de losse modules. En dus niet aan de diploma’s. Daartegen is – ook door mij – destijds fel geageerd. Dat zou tot de onredelijke situatie leiden dat financiële adviseurs tot wel 8 (acht!) PE-examens per PE-periode zouden moeten behalen. Terecht is daarom besloten de PE-plicht aan de diploma’s te koppelen. Maar wat daarbij ook had moeten gebeuren, was een regeling treffen om te voorkomen dat modules die geen deel uitmaken van een bestaand diploma oneindig geldig blijven. Ook dat is overigens toen meteen gesignaleerd, maar de wetgever heeft het laten liggen.

De vraag is wat er nu moet gebeuren. Ik pleit voor de volgende oplossing:

  1. Voer opnieuw het PE-examen voor Basis in. Voor veel medewerkers in de branche, die niet adviseren, is dit echt een basisdiploma. Zij hebben, althans op dit moment in hun loopbaan, nog geen behoefte aan een diploma met adviesbevoegdheid, maar later mogelijk wel. Dan is het van belang dat hun Basiskennis actueel is gebleven.
  2. Regel voor de modules Consumptief krediet, Schade particulier, Vermogen en Inkomen dat deze alleen tot een diploma leiden in samenhang met een geldig certificaat Basis.
  3. Schaf de rare regel dat het behalen van een nieuw topmoduul vrijwaart van het vorige PE-examen (dat dus per definitie over geheel andere onderwerpen gaat) af.
  4. Regel voor de modules Schade zakelijk, Hypothecair krediet en Pensioen dat deze alleen tot een diploma leiden in samenhang met een geldig (door PE bijgehouden) onderliggend diploma Adviseur schade particulier resp. Adviseur vermogen.

Hiermee voorkom je dat losse modules een soort eeuwigheidswaarde hebben. Eeuwigheidswaarde past niet in een vakbekwaamheidsstelsel dat door PE wordt beheerst.

Pensioenkapitaal benutten: ook de wetgever vindt het lastig

Welke adviseur mag een werknemer adviseren over het benutten van zijn pensioenkapitaal? Dat lijkt een eenvoudige vraag. Eigenlijk is dat het ook. Toch lijken wetgever en AFM daar hun nek over te breken.

Een werknemer kan besluiten om met het vrijvallende kapitaal van zijn pensioenverzekering een lijfrente te kopen. Hij kan ook besluiten tot doorbeleggen bij de pensioenuitvoerder, al dan niet in combinatie met een periodieke uitkering. Omdat de meeste werknemers geen flauw benul hebben van de mogelijkheden en de gevolgen daarvan voor hun persoonlijke situatie is het verstandig als zij zich daarover goed laten adviseren. Maar de vraag is: welke adviseur is bevoegd?

Als een klant met een kapitaal een lijfrente wil kopen, dan is de Adviseur vermogen bevoegd. Ongeacht of hij dat geld van zijn overleden tante heeft gekregen of dat het een vrijvallend pensioenkapitaal is. Maar als de klant besluit tot doorbeleggen, dan valt te verdedigen dat alleen de Adviseur pensioen bevoegd is, omdat dan de oorspronkelijk door de werkgever gesloten pensioenovereenkomst van kracht blijft. De Adviseur pensioen (per definitie ook Adviseur vermogen) kan bij dit soort complexe zaken dus het meest uitgebreide advies geven. Die gedachte wordt overigens niet door iedereen gedeeld, maar dat terzijde.

Omdat de wetgever die gedachte wel omhelst, wil hij regelen dat adviezen over vrijvallend pensioenkapitaal voortaan alleen door de Adviseur pensioen mogen worden gegeven. Daartoe wordt per 1 april 2019 het BGfo gewijzigd. De AFM stuurde er alvast een nieuwbericht over. Maar volgens mij gaat er iets half mis.

Wat goed gaat (maar niet nodig is): in het BGfo is vanaf 1 april de omschrijving van ‘pensioen’ zo gewijzigd dat ook ‘de aankoop van een variabele of vaste uitkering uit een kapitaalovereenkomst’ daaronder valt. Die wijziging is dus niet nodig, juist omdat een Adviseur pensioen altijd ook Adviseur vermogen is. Dus daarover mocht hij toch al adviseren. Wat mis gaat: de omschrijving van ‘vermogen’ blijft ongewijzigd. Dus mag de Adviseur vermogen ook ná 1 april 2019, nog steeds, adviseren over de ‘aankoop van een variabele of vaste uitkering uit een kapitaalovereenkomst’.

Over hoe erg dat precies is, verschillen de meningen. Ook al omdat het uurtarief van een pensioenadviseur wel eens hoger zou kunnen zijn dan van een levensverzekeringadviseur. En de klant heeft ook belang bij de hoogte van advieskosten. In elk geval lijkt het waarschuwende nieuwsbericht van de AFM van 4 maart mij onjuist.

U weet: tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Tussen doel en daad daarentegen staan alleen praktische bezwaren in de weg. Zoals het praktische bezwaar dat wetten soms zo ingewikkeld zijn dat ook wetgever en toezichthouder het niet meer kunnen volgen.

Onnodige paniek om het bijzondere PE-examen

Kort voor het weekend ontstond ineens onnodige paniek over het bijzondere PE-examen. Dat bijzondere PE-examen zou onverwacht de enige mogelijkheid zijn om een verloren gegane adviesbevoegdheid te herstellen. Welnu: dat is onzin. En in strijd met de regelgeving. Ik leg dat graag uit.

In mijn blog van vorige week heb ik uitgelegd hoe dat bijzondere PE-examen is ontstaan. Als je niet tijdig je gewone PE-examen haalt, blijft je diploma geldig, maar ben je de daaraan gekoppelde adviesbevoegdheid kwijt. Het bijzondere PE-examen is een mogelijkheid om die adviesbevoegdheid weer te herstellen. Maar het is niet de enige mogelijkheid. Je kunt, als je dat wilt, ook gewoon opnieuw ‘je diploma halen’.

Dat blijkt heel duidelijk uit de wettelijke regeling. Daarvoor moet ik – het spijt mij – even met u de wettekst in. Het vakbekwaamheidsstelsel is geregeld in een Algemene Maatregel van Bestuur, die bij de Wft hoort: het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen, kortweg het BGfo. In art. 9 lid 1 BGfo staat dat een Wft-diploma wordt afgegeven aan degene die alle bij dat diploma behorende modules heeft behaald. Nergens staat dat zo’n diploma maar één keer kan of mag worden uitgegeven. En dus geldt: zodra iemand aan die voorwaarde voldoet, krijgt hij een Wft-diploma. Ook als hij op enig moment in het verleden al eerder zo’n diploma heeft behaald.

Dat is natuurlijk ook niet bijzonder. Zo gaat het altijd. Als ik besluit nogmaals de HAVO te doen en ik slaag (opnieuw) voor het examen, krijg ik echt voor de tweede keer een HAVO-diploma. Ik ga dat niet doen. Verreweg de meeste mensen zullen niet voor de tweede keer eenzelfde diploma willen halen. Ook niet bij de Wft-diploma’s. De meeste diplomahouders die hun adviesbevoegdheid verloren zijn, zullen kiezen voor de relatief eenvoudiger weg van het bijzonder PE-examen. Maar dat is een keus, geen verplichting.

De minister, of het CDFD of DUO, kan niet zomaar beslissen géén diploma af te geven aan iemand die (om welke reden dan ook) opnieuw alle modules behaalt. Als de minister dat wil, zal hij (of liever: de regering) eerst het BGfo moeten wijzigen. Dat vraagt een uitgebreide procedure, inclusief een adviesaanvraag bij de Raad van State en een consultatieronde.

Voor dat alles is natuurlijk geen enkele reden. De diplomaplicht én de PE-plicht zijn in het leven geroepen met een bepaald doel: de vakbekwaamheid van adviseurs. Even afgezien van de vraag of dit stelsel daarvoor een optimale waarborg biedt: degene die ervoor kiest om elke PE-periode opnieuw alle modules te behalen, voldoet volledig aan die norm. En even afgezien van de vraag of opnieuw een (altijd geldig blijvend) diploma wordt afgegeven, over één ding kan geen twijfel bestaan: de houder heeft zijn adviesbevoegdheid terug.

Paniek om niets dus. Een andere keer zal ik u uitleggen waarom het CDFD en DUO er reuze verstandig aan doen om juist heel ruimhartig te zijn met het voor de tweede (derde, enz.) keer afgeven van Wft-diploma’s.

Niemand houdt van het bijzondere PE-examen

Iedereen die op 1 april een regulier PE-examen heeft gemist, kan dat gemis goedmaken met een ‘bijzonder PE-examen’. Nou ja, ‘goedmaken’ is niet helemaal de juiste term, want in de tussentijd is er geen adviesbevoegdheid.  Inmiddels is wat meer bekend over dat bijzondere PE-examen. En hoewel niet iedereen het zal zeggen: niemand houdt van dit examen. Ik ook niet.

Eigenlijk was het ook niet de bedoeling dat er bijzondere PE-examens zouden komen. Dat die dingen er toch gekomen zijn, is een onbedoeld gevolg van de lobby van intermediairorganisaties. Het huidige vakbekwaamheidsstelsel was uitgedacht onder een andere minister van Financiën (De Jager), dan degene die het zou invoeren (Dijsselbloem). Dat bood mogelijkheden tot politiek scoren. En tot politiek uitruilen.

Dat bleek toen de lobby leidde tot de Kamervraag: ‘Het kán toch niet zo zijn, mijnheer de minister, dat een behaald diploma ongeldig wordt als er niet tijdig een PE-examen is behaald.’ De minister, die in dezelfde tijd het provisieverbod aan het verdedigen was, zag een uitgelezen kans om voor het front van de Tweede Kamer de financiële dienstverlening op het oog een beetje tegemoet te komen: ‘Nee hoor, een Wft-diploma blijft altijd geldig; alleen de aan het diploma gekoppelde adviesbevoegdheid gaat verloren en die kun je weer terugkrijgen met een bijzonder examen’. De vragensteller in de Tweede Kamer was tevreden (hij had toch maar mooi de onbeperkte geldigheidsduur van de diploma’s er door gesleept) en de minister was tevreden (want het oorspronkelijke doel stond nog steeds overeind).

Dus hebben we straks 8 bijzondere PE-examens, voor elk diploma één. Waarvan niemand dus houdt. De potentiële deelnemers niet (want zo gemakkelijk als de gewone PE-examens zullen ze niet zijn), hun werkgevers niet (want niet-bevoegde medewerkers, die zich er wel op kunnen beroepen een geldig diploma te hebben) en het CDFD niet (die deze examens daarom ook maar eens in de 4 maanden gaat afnemen).

Natuurlijk zal er straks vraag zijn naar de (maatschappelijk buitengewoon dure) bijzondere PE-examens. Het wordt interessant om te zien wie dat zijn. Van diplomahouders die de gewone PE-examens te lang op hun beloop hebben gelaten, vraag ik me af of de financiële dienstverlening (hun werkgever, de klant) daarop wel zit te wachten. Er zijn vast ook diplomahouders die om begrijpelijke redenen geen PE-examen hebben gedaan (ziekte, buitenlands verblijf of andere buitengewone omstandigheden). Maar dat gaat meestal gepaard met een paar jaar geen functie binnen de financiële dienstverlening. Ik vraag me af of het dan niet verstandiger zou zijn om deze groep hun diploma ‘gewoon’ opnieuw te laten halen. Zó moeilijk zijn die initiële examens ook weer niet.

Wie mag zich straks ‘onafhankelijke adviseur’ noemen?

Straks heb je drie categorieën adviseurs: de onafhankelijke, de zelfstandige en de verkoopadviseur. Maar wie mag zich straks nu ‘onafhankelijk adviseur’ noemen? Ik voorzie discussie en vind dat de minister een kans mist..

De minister maakt duidelijk dat een onafhankelijke adviseur moet kunnen adviseren op basis van een objectieve analyse (en dus een toereikend aantal financiële producten moet vergelijken). Op zich al een norm die tot discussie kan leiden. Maar de minister noemt nog een tweede norm: de financiële producten mogen niet worden aangeboden door (1) de financiëledienstverlener zelf of (2) door ‘entiteiten die nauwe banden hebben met de financiëledienstverlener’. Zeker (2) zal er in het verzekeringsbedrijf inhakken. Want er zijn nogal wat intermediairbedrijven, waaronder beursmakelaars, die nauwe banden hebben met een volmachtbedrijf. In de provincie is die binding vaak zo nauw, dat alleen zaken uit het ‘eigen’ intermediairbedrijf in de volmacht komen.

Zijn al die intermediairbedrijven met een verwant volmachtbedrijf dan in één keer de titel ‘onafhankelijk adviseur’ kwijt? Nou nee, dat hoeft niet. Want, zo maakt de minister met een gemiste kans duidelijk: deze keurmerktitel van ‘onafhankelijk adviseur’ gaat alleen gelden voor ‘complexe financiële producten’. En verreweg de meeste schadeverzekeringen zijn geen complex product in de zin van de Wft. Ook de meest ingewikkelde op de coassurantiemarkt gesloten schadeverzekeringen niet.

Dus een intermediair mét volmachtbedrijf mag zich straks onafhankelijk (blijven) noemen, zolang hij er maar voor zorgt dat bij dat volmachtbedrijf geen pensioenverzekeringen, beleggingsverzekeringen, e.d. worden ondergebracht. Doet hij dat wel, dan moet dat intermediair, denk ik, duidelijk maken dat het voor die complexe producten ‘zelfstandig adviseur’ is. Tegelijk mag datzelfde intermediair zich voor alle andere producten wél ‘onafhankelijk adviseur’ blijven noemen (want: voor die producten is het gebruik van die benaming niet wettelijk gereguleerd). Alsof het nog niet onoverzichtelijk genoeg is voor de klant.

Een gemiste kans dus. Want ook voor andere (dan complexe) producten doen nauwe banden tussen aanbieder en adviseur afbreuk aan de onafhankelijkheid. Begrijp me goed: er is niets oneerbaars aan een eigen volmacht en zo’n nauwe band kán ook in het voordeel van de klant zijn. Dat kán. Maar juist dan kun je daar ook transparant over zijn. Want: waar volmacht, daar commissie en dus ook een eigen financieel belang bij de adviseur.

Ik pleit er voor dat de minister deze regeling niet beperkt tot complexe producten in de zin van de Wft. En tegelijk regelt dat het gebruik van die benamingen niet een vrijblijvende bevoegdheid is, maar een wettelijke plicht. Met voor elke categorie adviseur een mooi ikoontje op het briefpapier, dat duidelijk maakt om welke categorie adviseur het gaat. Zoals er ook een ikoontje is voor beleggingsrisico’s. Dat is voor de klant veel duidelijker en daar hoort het toch om te gaan.