Onnodige paniek om het bijzondere PE-examen

Kort voor het weekend ontstond ineens onnodige paniek over het bijzondere PE-examen. Dat bijzondere PE-examen zou onverwacht de enige mogelijkheid zijn om een verloren gegane adviesbevoegdheid te herstellen. Welnu: dat is onzin. En in strijd met de regelgeving. Ik leg dat graag uit.

In mijn blog van vorige week heb ik uitgelegd hoe dat bijzondere PE-examen is ontstaan. Als je niet tijdig je gewone PE-examen haalt, blijft je diploma geldig, maar ben je de daaraan gekoppelde adviesbevoegdheid kwijt. Het bijzondere PE-examen is een mogelijkheid om die adviesbevoegdheid weer te herstellen. Maar het is niet de enige mogelijkheid. Je kunt, als je dat wilt, ook gewoon opnieuw ‘je diploma halen’.

Dat blijkt heel duidelijk uit de wettelijke regeling. Daarvoor moet ik – het spijt mij – even met u de wettekst in. Het vakbekwaamheidsstelsel is geregeld in een Algemene Maatregel van Bestuur, die bij de Wft hoort: het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen, kortweg het BGfo. In art. 9 lid 1 BGfo staat dat een Wft-diploma wordt afgegeven aan degene die alle bij dat diploma behorende modules heeft behaald. Nergens staat dat zo’n diploma maar één keer kan of mag worden uitgegeven. En dus geldt: zodra iemand aan die voorwaarde voldoet, krijgt hij een Wft-diploma. Ook als hij op enig moment in het verleden al eerder zo’n diploma heeft behaald.

Dat is natuurlijk ook niet bijzonder. Zo gaat het altijd. Als ik besluit nogmaals de HAVO te doen en ik slaag (opnieuw) voor het examen, krijg ik echt voor de tweede keer een HAVO-diploma. Ik ga dat niet doen. Verreweg de meeste mensen zullen niet voor de tweede keer eenzelfde diploma willen halen. Ook niet bij de Wft-diploma’s. De meeste diplomahouders die hun adviesbevoegdheid verloren zijn, zullen kiezen voor de relatief eenvoudiger weg van het bijzonder PE-examen. Maar dat is een keus, geen verplichting.

De minister, of het CDFD of DUO, kan niet zomaar beslissen géén diploma af te geven aan iemand die (om welke reden dan ook) opnieuw alle modules behaalt. Als de minister dat wil, zal hij (of liever: de regering) eerst het BGfo moeten wijzigen. Dat vraagt een uitgebreide procedure, inclusief een adviesaanvraag bij de Raad van State en een consultatieronde.

Voor dat alles is natuurlijk geen enkele reden. De diplomaplicht én de PE-plicht zijn in het leven geroepen met een bepaald doel: de vakbekwaamheid van adviseurs. Even afgezien van de vraag of dit stelsel daarvoor een optimale waarborg biedt: degene die ervoor kiest om elke PE-periode opnieuw alle modules te behalen, voldoet volledig aan die norm. En even afgezien van de vraag of opnieuw een (altijd geldig blijvend) diploma wordt afgegeven, over één ding kan geen twijfel bestaan: de houder heeft zijn adviesbevoegdheid terug.

Paniek om niets dus. Een andere keer zal ik u uitleggen waarom het CDFD en DUO er reuze verstandig aan doen om juist heel ruimhartig te zijn met het voor de tweede (derde, enz.) keer afgeven van Wft-diploma’s.

Advertenties

Wie mag zich straks ‘onafhankelijke adviseur’ noemen?

Straks heb je drie categorieën adviseurs: de onafhankelijke, de zelfstandige en de verkoopadviseur. Maar wie mag zich straks nu ‘onafhankelijk adviseur’ noemen? Ik voorzie discussie en vind dat de minister een kans mist..

De minister maakt duidelijk dat een onafhankelijke adviseur moet kunnen adviseren op basis van een objectieve analyse (en dus een toereikend aantal financiële producten moet vergelijken). Op zich al een norm die tot discussie kan leiden. Maar de minister noemt nog een tweede norm: de financiële producten mogen niet worden aangeboden door (1) de financiëledienstverlener zelf of (2) door ‘entiteiten die nauwe banden hebben met de financiëledienstverlener’. Zeker (2) zal er in het verzekeringsbedrijf inhakken. Want er zijn nogal wat intermediairbedrijven, waaronder beursmakelaars, die nauwe banden hebben met een volmachtbedrijf. In de provincie is die binding vaak zo nauw, dat alleen zaken uit het ‘eigen’ intermediairbedrijf in de volmacht komen.

Zijn al die intermediairbedrijven met een verwant volmachtbedrijf dan in één keer de titel ‘onafhankelijk adviseur’ kwijt? Nou nee, dat hoeft niet. Want, zo maakt de minister met een gemiste kans duidelijk: deze keurmerktitel van ‘onafhankelijk adviseur’ gaat alleen gelden voor ‘complexe financiële producten’. En verreweg de meeste schadeverzekeringen zijn geen complex product in de zin van de Wft. Ook de meest ingewikkelde op de coassurantiemarkt gesloten schadeverzekeringen niet.

Dus een intermediair mét volmachtbedrijf mag zich straks onafhankelijk (blijven) noemen, zolang hij er maar voor zorgt dat bij dat volmachtbedrijf geen pensioenverzekeringen, beleggingsverzekeringen, e.d. worden ondergebracht. Doet hij dat wel, dan moet dat intermediair, denk ik, duidelijk maken dat het voor die complexe producten ‘zelfstandig adviseur’ is. Tegelijk mag datzelfde intermediair zich voor alle andere producten wél ‘onafhankelijk adviseur’ blijven noemen (want: voor die producten is het gebruik van die benaming niet wettelijk gereguleerd). Alsof het nog niet onoverzichtelijk genoeg is voor de klant.

Een gemiste kans dus. Want ook voor andere (dan complexe) producten doen nauwe banden tussen aanbieder en adviseur afbreuk aan de onafhankelijkheid. Begrijp me goed: er is niets oneerbaars aan een eigen volmacht en zo’n nauwe band kán ook in het voordeel van de klant zijn. Dat kán. Maar juist dan kun je daar ook transparant over zijn. Want: waar volmacht, daar commissie en dus ook een eigen financieel belang bij de adviseur.

Ik pleit er voor dat de minister deze regeling niet beperkt tot complexe producten in de zin van de Wft. En tegelijk regelt dat het gebruik van die benamingen niet een vrijblijvende bevoegdheid is, maar een wettelijke plicht. Met voor elke categorie adviseur een mooi ikoontje op het briefpapier, dat duidelijk maakt om welke categorie adviseur het gaat. Zoals er ook een ikoontje is voor beleggingsrisico’s. Dat is voor de klant veel duidelijker en daar hoort het toch om te gaan.

 

Een gedrocht als PE-examen

Als de wetgever in de komende 10 maanden niet tot bezinning komt, bestaat vanaf 1 april 2019 naast het gewone PE-examen ook nog het ‘bijzondere PE-examen’. Dat wordt een ingewikkeld en duur gedrocht.

Het ‘bijzondere PE-examen’ is de erfenis van een handig politiek trucje, waarbij vooraf niet over de echte gevolgen is nagedacht. Dat hoop ik althans. (Als wél vooraf over de gevolgen is nagedacht, is het nog triester.) Dat politieke trucje is bedacht in de periode dat het huidige vakbekwaamheidsstelsel in de Tweede Kamer werd besproken. Een aantal oppositiepartijen stond wel sympathiek tegenover de bezwaren die de intermediairorganisaties hadden met de PE-plicht. Want: het zou toch te gek zijn voor woorden als een behaald diploma zijn geldigheid zou verliezen als er niet tijdig een PE-examen wordt behaald.

De minister bedacht een slimme truc. Nee, het diploma zou na afloop van de PE-termijn niet ongeldig worden, maar de diplomahouder zou ‘alleen maar’ het recht verliezen om op basis van dat diploma nog te adviseren. En die diplomahouder zou die adviesbevoegdheid weer terug kunnen krijgen door het behalen van een ‘bijzonder PE-examen’. Hoe zo’n bijzonder PE-examen er uit zou moeten zien, bleef onuitgewerkt.

Dat die oplossing er feitelijk nog steeds op neer komt dat zo’n diploma in de tussenliggende periode gewoon ongeldig is (de enige bevoegdheid die het diploma geeft, is weg) en dat die oplossing geheel niet was wat de intermediairorganisaties beoogden, mocht niet hinderen. De Tweede Kamer, waarschijnlijk ook niet nadenkend over de verdere gevolgen, was tevreden. En dus hebben we straks een ‘bijzonder PE-examen’.

Maar hoe moet zo’n bijzonder PE-examen er nu uit gaan zien? Kennelijk moet de diplomahouder een inhaalslag gaan maken voor de PE-examens die hij heeft gemist. Na 1 april 2019 gaat het daarbij om één PE-ronde (en dus om twee jaar ‘actualiteiten’). Na 1 april 2022 kan het om vijf jaar actualiteiten gaan en met elke volgende PE-periode komt er weer drie jaar bij. Een (herintredende) diplomahouder kan ook besluiten om na 20 PE-loze jaren weer aan te schuiven. Want er is géén maximum aantal gemiste PE-examens vastgelegd; géén einddatum.

Moet het CDFD straks voor elke individuele inhaler een apart ‘bijzonder PE-examen’ gaan maken? En dus voor elk ‘bijzonder PE-examen’ gaan puzzelen welke onderwerpen uit voorgaande PE-periodes niet meer relevant zijn en welke nog wel? En daar dan ook nog een evenwichtig examen uit samenstellen? En dat voor alle (straks) 8 Wft-diploma’s? Dat gaat niet lukken met een vragenbank en als het al lukt, wordt dat heel duur handwerk. Zet er bij het CDFD maar een paar mensen extra bij.

En wie denkt u dat dat gaat betalen? Het Ministerie van Financiën? Vergeet het maar. Die kosten gaan ‘gewoon’ worden omgeslagen over alle examens. De bedrijfstak mag het dus betalen. Tenzij de minister alsnog de verstandige beslissing neemt om dat ‘bijzondere PE-examen’ maar te schrappen.

Enkele aanpassingen in het vakbekwaamheidsstelsel

Het CDFD heeft de minister geadviseerd enkele wijzigingen aan te brengen in het vakbekwaamheidsstelsel. Aannemende dat de minister dat advies volgt, hoeven er minder PE-examens te worden afgelegd.

Eén van de adviezen houdt in dat het CDFD Wft-Basis niet langer als beroepskwalificatie ziet. Terecht natuurlijk, want het is nooit een echte beroepskwalificatie geweest. Je kreeg wel het diploma Adviseur basis (en volgens het BGfo mocht je ook in ‘Basis’ adviseren), maar ‘Basis’ omvat geen enkel financieel product en geen enkele financiële dienst. Met het diploma Adviseur basis mocht je dus letterlijk nog steeds niets.

Het is wel de bedoeling dat het moduul Basis blijft bestaan als onderdeel van alle andere beroepskwalificaties (behalve Adviseur zorg). Alleen levert Basis straks geen diploma meer op, maar een certificaat. Belangrijk verschil: aan een Wft-certificaat is géén PE-plicht verbonden; dat blijft zonder PE onbeperkt geldig. Als de wijziging doorgaat, zijn er straks dus ook géén PE-examens voor Basis meer.

Aannemende dat de (straks nieuwe) minister het advies van het CDFD overneemt, betekent dit dat iedereen die vóór 1 april 2017 Wft-Basis heeft behaald, geen PE-Basis hoeft te doen om zijn diploma geldig te houden. Jammer dat dat nu pas bekend wordt. Vast en zeker zijn er al mensen die dat PE-examen al hebben behaald. Daar word je niet slechter van, maar waarschijnlijk had het dus niet ‘gemoeten’. Degenen die dit PE-examen nog niet hebben gedaan, kunnen in elk geval overwegen dat nog even uit te stellen totdat de minister heeft laten weten of hij het advies inderdaad overneemt.

Iets soortgelijks geldt overigens voor hypotheekadviseurs die ook in consumptief krediet adviseren. Een tweede advies van het CDFD is dat met het diploma Adviseur hypothecair krediet voortaan ook in consumptieve kredieten mag worden geadviseerd. Daarmee ontstaat een nieuwe overlapsituatie. Om in consumptieve kredieten te mogen adviseren moet je dan het ene óf het andere diploma hebben. Een vergelijkbare overlapsituatie bestaat nu al bij zorgverzekeringen, waarvoor je het diploma Adviseur zorgverzekering óf het diploma Adviseur schadeverzekering moet hebben.

Er van uitgaande dat ook dit tweede advies wordt overgenomen, hebben hypotheekadviseurs straks dus geen diploma Adviseur consumptief krediet meer nodig en hoeven zij dus ook de daarbij behorende PE-examens niet te doen. Omdat verreweg de meeste hypotheekadviseurs in consumptieve kredieten adviseren, betekent dit voor deze groep een aantrekkelijke vermindering van (overbodige) studietijd en kosten.

Maar ja: het betekent natuurlijk ook dat er straks veel minder examens worden afgelegd dan waar het CDFD kostentechnisch op heeft gerekend. Ik zie de volgende verhoging van de legesgelden van de examens al weer hangen.

Toezichtkosten

Er is veel kritiek op het voornemen van Financiën om de toezichtkosten volledig voor rekening van de sector te laten komen. Ik kan mij veel bij die kritiek voorstellen. Toch heb ik een andere suggestie. Laat de sector alle toezichtkosten betalen; maar dan wel de echte toezichtkosten.

Want wat Financiën bedoelt met toezichtkosten en wat echt toezichtkosten zijn, zijn twee verschillende begrippen. De echte toezichtkosten zijn de kosten van DNB en AFM om de in de Wft vastgelegde taken uit te voeren. Denk aan de kosten om vergunningsaanvragen te beoordelen, om toe te zien op de naleving van regels en vergunningsvoorwaarden, betrouwbaarheids- en geschiktheidstoetsingen, opsporingsonderzoek als het vermoeden bestaat dat er iets mis is, het bijhouden van de registers, e.d.. Allemaal prima.

Maar als ik kijk naar wat DNB en AFM allemaal nog meer doen, dan kom ik nogal wat activiteiten tegen die niets met toezicht te maken hebben en waarvoor in de Wft geen enkele basis kan worden gevonden. Taken die de toezichthouders zelf bedenken en kennelijk onbeperkt kunnen bedenken, omdat zij alle kosten die zij maken toch kunnen afwentelen. Terwijl een dergelijke wetenschap juist tot terughoudendheid zou moeten leiden. En aldus worden er leidraden gemaakt op gebieden waar de wet bewust voor de open norm heeft gekozen (alsof brancheorganisaties dat niet kunnen), er worden marktonderzoeken uitgevoerd, er wordt geïnvesteerd in ‘proeftuinen’, ‘greenfields’ en ‘sandboxes’, geëxperimenteerd met nieuwe technologieën, er worden speeches gegeven (en gepubliceerd), gevraagd en ongevraagd voorstellen gedaan voor nieuwe wetgeving, gelobbyd en natuurlijk wordt de eigen organisatie uitbundig geprofileerd. ‘Het mag wat kosten want een ander betaalt ons feestje.’

U hoort mij ook niet zeggen dat al die andere activiteiten dan de echte toezichttaken (geheel) ontbloot zijn van enig maatschappelijk belang. Maar met het door de wet voorgeschreven toezicht hebben deze activiteiten niets te maken. Ik heb een paar jaar terug al eens bezwaar gemaakt tegen de oproep van de AFM aan geheel zakelijk Nederland om ‘misstanden’ op het gebied van zakelijk krediet bij haar te melden. U hoort mij niet zeggen dat er nooit iets mis gaat bij zakelijk krediet, maar de Wft geeft – en daar is vooraf echt over nagedacht – de AFM geen enkele bevoegdheid bij zakelijk kredieten.

Het lijkt mij heel redelijk als toezichthouders die andere activiteiten willen ondernemen dan hun wettelijke toezichttaken de kosten van die andere activiteiten transparant en realistisch begroten. Zeg maar: zich zelf een beetje houden aan de normen die zij zo graag aan anderen opleggen. En daar vervolgens zelf een financier voor vinden. Wil de minister dat DNB meedenkt over regelgeving? Prima minister, maar dat kost u wel geld. Als uw eigen ambtenaren het moeten doen, kost het u ook geld. Wil iemand een marktonderzoek door de AFM? Idem dito; TNS NIPO stuurt ook rekeningen. Ik ben heel benieuwd naar zo’n transparante begroting.

De Europese no-claimverklaring

Actieplannen van de Europese Commissie zijn altijd de moeite waard. Zeker als het gaat om financiële diensten voor de consument onder het motto “Betere producten, meer keuze’. Niet helemaal onverwacht is de reactie van ons kabinet nogal zuinigjes.

‘Betere producten, meer keuze’ is een schoolvoorbeeld van een motto waar iedereen het wel mee eens zal zijn. Het valt regelrecht in de categorie ‘Honger de wereld uit’, ‘Vrede op aarde’ en ‘Weg met overbodige regels’. Het probleem zit niet in het motto, maar in de wijze waarop dat mooie doel bereikt zou moeten worden. Dat raakt steevast het hart van de Europese problematiek.

Ruwweg kunnen EU-regels in twee groepen worden verdeeld: (1) regels die de concurrentie bevorderen en (2) regels die de consument beter moeten beschermen. En vaak, zeker in de financiële dienstverlening, staan die twee doelstellingen haaks op elkaar. De concurrentie is er bij gebaat als regels in alle EU-landen exact hetzelfde zijn. Dat vergemakkelijkt het zaken doen over de grens. Het schept – in theorie – ook een gelijk speelveld binnen de EU. Maar tegelijk is dat een probleem voor die landen die een (veel) hogere mate van consumentenbescherming hebben dan hun collega-lidstaten. Zo zou minister Dijsselbloem graag de flitskredieten willen aanpakken die vanuit Engeland worden aangeboden. Maar dat kan dus niet. Exit gelijk speelveld én consumentenbescherming.

Dus op het moment dat de Europese Commissie laat weten dat zij de nationale consumentenbeschermings- en –gedragsregels gaat onderzoeken om na te gaan of deze ‘ongerechtvaardigde belemmeringen voor grensoverschrijdende zakelijke activiteiten creëren’ (punt 8 van het actieplan), staat ons Ministerie van Financiën op scherp. Voor je het weet presenteert de Europese Commissie (om maar eens wat te noemen) een uniform EU-vakbekwaamheidssysteem dat het midden houdt tussen alles wat op dat gebied in de EU is te vinden. (Dag Wft-beroepskwalificaties.) Precies om die reden heeft het kabinet al laten weten ‘niet direct voorstander’ te zijn van actiepunt 7: ‘Een diepere eengemaakte markt voor consumentenkrediet’. Beschouw dat ‘niet direct voorstander’ maar als een eufemisme.

Natuurlijk zijn er ook punten in het actieplan die ons kabinet van harte ondersteunt. Daaronder punt 5 dat (mede) beoogt ‘de grensoverschrijdende erkenning van verklaringen in verband met het schadeverleden (die worden gebruikt voor de berekening van no-claimbonussen) te verbeteren’. Zeg maar: een Europese no-claimverklaring. Staat op de agenda voor het 4e kwartaal van dit jaar. Ik ben ook warm voorstander van zo’n erkenning. Gezien de resultaten die verzekeraars in ons land op de motorrijtuigtekening maken, staan buitenlandse verzekeraars vast te trappelen om hier meer verzekeringen te mogen sluiten. Is DNB vast ook heel blij mee.

Over vertrouwen, commercie en klantbelang

Het CDFD evalueert het vakbekwaamheidsgebouw, vooruitlopend op een algehele evaluatie in 2019. Het Verbond van Verzekeraars heeft zijn voorkeuren kenbaar gemaakt in een ‘position paper’. Daaruit blijkt een spagaat tussen commercieel- en klantbelang.

Het Verbond maakt zich zorgen over de kosten van het vakbekwaamheidsstelsel. PE-examens naast de verplichting om PA (aantoonbaar actueel vakbekwaam) te zijn, vindt het Verbond dubbelop. Dus pleit het er voor dat medewerkers van verzekeraars een ontheffing van de PE-examens moeten kunnen krijgen als zij (verzekeraars) kunnen aantonen over een goed PA-systeem en -proces te beschikken. Dat PA moet bovendien beperkt blijven tot de feitelijke werkzaamheden van medewerkers: geen overbodige diplomabrede ballast. De controle daarop houden verzekeraars graag minimaal: de AFM zou het proces kunnen beoordelen, net zoals nu bij het productontwikkelingsproces gebeurt. Beoordeling van de vakbekwaamheid van individuele medewerkers is dan niet nodig. In het ‘position paper’ wordt uitdrukkelijk gevraagd verzekeraars op dat gebied te vertrouwen.

In het ‘position paper’ pleit het Verbond ook voor de herinvoering van een diploma Wft-Volmacht. Opvallend, want de minister van Financiën heeft nog geen jaar geleden na lang nadenken (terecht) besloten dat zo’n diploma er niet komt. Maar nog opvallender is de argumentatie die het Verbond geeft. Volgens het Verbond zijn verzekeraars zelf niet goed in staat die vakbekwaamheid bij potentiële volmachtbedrijven af te dwingen. Te grote commerciële belangen staan daaraan in de weg, aldus het Verbond. Maar volmachtverlening is simpelweg het uitbesteden van werk. Begrijp ik nu echt goed dat verzekeraars hier betogen dat zij het bij het uitbesteden van werkzaamheden niet zo nauw nemen met het klantbelang?

Verzekeraars vragen om het vertrouwen dat zij bij hun eigen medewerkers vakbekwaamheid (klantbelang) laten prevaleren boven het commerciële belang. Maar tegelijk laten zij weten de vakbekwaamheid niet te kunnen waarborgen als het commerciële belang daarom vraagt. Maar ook PA-systemen kosten geld. Waarom zou het vertrouwen dat verzekeraars het klantbelang laten prevaleren boven hun commerciële belang er dan wel moeten zijn bij de vakbekwaamheid van de eigen medewerkers? Kortom: het ‘position paper’ zaait twijfel bij het vertrouwen dat gevraagd wordt.

Ik kan verzekeraars overigens gerust stellen: het huidige vakbekwaamheidsstelsel eist helemaal niet dat medewerkers van verzekeraars Wft-diploma’s hebben. PA is al genoeg. De diploma-eis en de PE-examens gelden alleen voor adviseurs. En advies veronderstelt nu eenmaal een bredere vakbekwaamheid dan alleen kennis van het eigen product. De markt lijkt mij ook gebaat bij een gelijk speelveld.