Het niet zo bijzondere PE-examen

Veel gedoe om niets. Als er al iets opvalt aan de bijzondere PE-examens is dat ze niet bijzonder zijn. Het zijn gewone PE-examens. Met iets meer vragen, dat wel.

Iedereen die zijn PE-examen heeft gemist, kan met een bijzonder PE-examen zijn adviesbevoegdheid weer herstellen. Dat bijzondere PE-examen heeft twee effecten: (1) het maakt het missen van het vorige PE-examen goed en (2) het geldt tegelijk als PE-examen voor de lopende PE-periode. Vanwege dat dubbele effect is steeds de veronderstelling geweest dat het bijzondere PE-examen op een langere periode zou zien dan de normale driejaarsperiode. Ten minste 4 jaar, misschien wel 5 of 6 jaar. En in de toekomst (als een diplomahouder meerdere PE-periodes gemist kan hebben) misschien nog wel langer.

Maar dat blijkt niet het geval. Ook het bijzondere PE-examen heeft uitsluitend betrekking op ontwikkelingen uit de laatste drie jaar. Dat blijkt althans als je de eind- en toetstermen van beide soorten examens vergelijkt. Dat was natuurlijk niet de bedoeling van de wetgever. In de Nota van Toelichting bij het BGfo stond nog (terecht!): ‘Het bijzonder examen zal bestaan uit examenvragen die zien op de actualiteiten vanaf het laatst behaalde PE examen van de persoon in kwestie.’ Maar als het niet gaat om de periode waarover vragen worden gesteld: wat is er dan bijzonder aan het bijzondere PE-examen?

In elk geval ook niet dat de bijzondere PE-examens naast K/B-vragen (kennis- en begripsvragen) ook V/C-vragen (vaardigheden-/competentievragen) omvatten. Daartegen protesteerde weliswaar de Canongroep (de gezamenlijke intermediaire organisaties), maar kennelijk hebben die organisaties over het hoofd gezien dat óók de gewone PE-examens al V/C-vragen omvatten. Het bijzondere PE-examen omvat geen andere vragensoorten dan de gewone PE-examens. Maar als het verschil niet zit in de periode en de onderwerpen waarover de vragen gaan en ook niet over het soort vragen: wat maakt een bijzonder PE-examen dan bijzonder?

Het antwoord blijkt te zitten in het aantal vragen. Het bijzondere PE-examen omvat enkele V/C-vragen méér dan het gewone PE-examen. Niet heel veel meer, maar een beetje meer. En daarvoor krijgt de deelnemer dan ook nog 50% meer examentijd. Maar de deelnemer krijgt geen vragen over onderwerpen die hij gemist heeft, omdat hij een PE-periode heeft overgeslagen. Oók niet als die onderwerpen van belang zijn voor zijn rol als adviseur.

Ongetwijfeld maakt dit het beheer van de examenbank een stuk makkelijker. Maar de gedachte dat een bijzonder examen enige extra bescherming biedt voor de consument is een illusie. En dat is dan weer best bijzonder.

Advertenties

Pensioenkapitaal benutten: ook de wetgever vindt het lastig

Welke adviseur mag een werknemer adviseren over het benutten van zijn pensioenkapitaal? Dat lijkt een eenvoudige vraag. Eigenlijk is dat het ook. Toch lijken wetgever en AFM daar hun nek over te breken.

Een werknemer kan besluiten om met het vrijvallende kapitaal van zijn pensioenverzekering een lijfrente te kopen. Hij kan ook besluiten tot doorbeleggen bij de pensioenuitvoerder, al dan niet in combinatie met een periodieke uitkering. Omdat de meeste werknemers geen flauw benul hebben van de mogelijkheden en de gevolgen daarvan voor hun persoonlijke situatie is het verstandig als zij zich daarover goed laten adviseren. Maar de vraag is: welke adviseur is bevoegd?

Als een klant met een kapitaal een lijfrente wil kopen, dan is de Adviseur vermogen bevoegd. Ongeacht of hij dat geld van zijn overleden tante heeft gekregen of dat het een vrijvallend pensioenkapitaal is. Maar als de klant besluit tot doorbeleggen, dan valt te verdedigen dat alleen de Adviseur pensioen bevoegd is, omdat dan de oorspronkelijk door de werkgever gesloten pensioenovereenkomst van kracht blijft. De Adviseur pensioen (per definitie ook Adviseur vermogen) kan bij dit soort complexe zaken dus het meest uitgebreide advies geven. Die gedachte wordt overigens niet door iedereen gedeeld, maar dat terzijde.

Omdat de wetgever die gedachte wel omhelst, wil hij regelen dat adviezen over vrijvallend pensioenkapitaal voortaan alleen door de Adviseur pensioen mogen worden gegeven. Daartoe wordt per 1 april 2019 het BGfo gewijzigd. De AFM stuurde er alvast een nieuwbericht over. Maar volgens mij gaat er iets half mis.

Wat goed gaat (maar niet nodig is): in het BGfo is vanaf 1 april de omschrijving van ‘pensioen’ zo gewijzigd dat ook ‘de aankoop van een variabele of vaste uitkering uit een kapitaalovereenkomst’ daaronder valt. Die wijziging is dus niet nodig, juist omdat een Adviseur pensioen altijd ook Adviseur vermogen is. Dus daarover mocht hij toch al adviseren. Wat mis gaat: de omschrijving van ‘vermogen’ blijft ongewijzigd. Dus mag de Adviseur vermogen ook ná 1 april 2019, nog steeds, adviseren over de ‘aankoop van een variabele of vaste uitkering uit een kapitaalovereenkomst’.

Over hoe erg dat precies is, verschillen de meningen. Ook al omdat het uurtarief van een pensioenadviseur wel eens hoger zou kunnen zijn dan van een levensverzekeringadviseur. En de klant heeft ook belang bij de hoogte van advieskosten. In elk geval lijkt het waarschuwende nieuwsbericht van de AFM van 4 maart mij onjuist.

U weet: tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Tussen doel en daad daarentegen staan alleen praktische bezwaren in de weg. Zoals het praktische bezwaar dat wetten soms zo ingewikkeld zijn dat ook wetgever en toezichthouder het niet meer kunnen volgen.

Een nieuwe Wft-PE-methode?

Met dank aan de IDD geldt voor feitelijk-leidinggevenden sinds 1 oktober weer een vakbekwaamheidseis. Ik zeg ‘weer’, want tot 1 januari 2014 gold voor die feitelijk-leidinggevenden al een vakbekwaamheidseis. Maar die werd afgeschaft. En nu weer ingevoerd. Bijna hetzelfde, maar niet helemaal.

Anders dan voor adviserende medewerkers geldt voor leidinggevenden geen diplomaeis. Tenslotte is de IDD een Europese richtlijn en in de EU zijn ze niet dol op diplomaeisen. Want die zouden dan in alle lidstaten moeten gelden. Eigenlijk is binnen de EU alleen onze minister van Financiën van de diplomaeisen. Maar ja: om nu met een diplomaeis te komen voor feitelijk-leidinggevenden, kort nadat hijzelf elke vakbekwaamheidseis voor feitelijk-leidinggevenden had afgeschaft, ging hem kennelijk ook te ver. Daarom is in de Wft alleen de minimumeis uit de IDD terecht gekomen. De feitelijk-leidinggevende moet vakbekwaam zijn, maar volgens een halfhartig soort open norm.

Hoe controleer je zo’n open norm zonder officiële toetsen of diploma’s? ‘Daar’, zo zal de minister glimlachend bedacht hebben, ‘hebben we gelukkig een toezichthouder voor’. En dus wordt er sinds 1 oktober in het BGfo rechtstreeks verwezen naar Bijlage 1 IDD, waar die vakbekwaamheidseisen in staan. Aangevuld met de mededeling dat die feitelijk-leidinggevenden ten minste 15 uur per jaar aan permanente educatie (PE) moeten doen. Die eis geldt zowel voor verzekeraars als voor bemiddelaars, maar voor verzekeraars geldt de aanvullende eis dat ‘alle relevante documentatie met betrekking tot de toepassing’ moet worden vastgelegd en bijgehouden. De minister kent zijn pappenheimers: vakbekwaamheid bij feitelijk-leidinggevenden is bij bemiddelaars doorgaans beter geregeld dan bij verzekeraars.

De AFM lijkt wat meer moeite te hebben met de invulling. Zij verwijst in haar factsheet naar de Wft-modules Basis, Schadeverzekering particulieren en Schadeverzekering zakelijk. Dat lijkt mij geen handig advies. Het moduul Basis is voor een belangrijk deel bancair (en dat is hier niet relevant). En in de beide schademodules staat niets over levens- en beleggingsverzekeringen. Terwijl het geen toeval is dat juist die onderwerpen ruwweg 2/3 van de IDD-vakbekwaamheidseisen uitmaken. De verkoopschandalen deden zich voor bij levens- en beleggingsverzekeringen, niet bij schadeverzekeringen. Dus lijkt het advies aan leidinggevenden om te kiezen voor een brede verzekeringsopleiding toekomstbestendiger.

Waar ik wel benieuwd naar ben: hoe effectief is het stellen van een urennorm voor de PE? Gaat dat er niet aan voorbij dat ‘leren’ iets is, dat een professional elke dag doet? Vaak zelfs onbewust? En is de hoeveelheid tijd die nodig is voor PE niet heel erg afhankelijk van het vakgebied waarin je leiding geeft? Moet elke feitelijk-leidinggevende zijn PE-uren zelf in een excelsheet gaan bijhouden? Doet HRM dat? Hoe?

Maar vooral, als de minister vertrouwen in deze methode heeft: waarom dan niet de PE-examens voor adviserende medewerkers ingeruild voor dit systeem?

Wel of geen PE voor Consumptief krediet

De Wft-PE voor het diploma Adviseur consumptief krediet blijft de gemoederen bezig houden. En dan vooral de vraag of hypotheekadviseurs die PE nu wel of niet vóór 1 april 2019 moeten doen. Het antwoord is simpel: nee, dat hoeft niet. Jammer genoeg zorgt het CDFD voor verwarring.

Wat is het geval? Het Wft-vakbekwaamheidsbouwwerk wordt een beetje aangepast. Eén van die wijzigingen is dat vanaf 1 april 2019 hypotheekadviseurs ook mogen adviseren in consumptief krediet. Dus heb ik steeds betoogd: hypotheekadviseurs hoeven deze PE-periode geen PE voor het diploma Adviseur consumptief krediet meer te doen. Want:

  1. Het huidige diploma Adviseur consumptief krediet is geldig tot en met 31-3-2019.
  2. Vanaf dat moment hoeven hypotheekadviseurs alleen maar het diploma Adviseur hypothecair krediet te hebben om óók consumptieve kredieten te mogen adviseren.

Het CDFD zorgt voor verwarring met de mededeling dat hypotheekadviseurs die ook het diploma Adviseur consumptief krediet hebben tòch beide PE-examens vóór 1 april 2019 moeten behalen. Want, zo zegt het CDFD, ‘het is nog niet zeker of en op welke wijze deze regeling definitief wordt opgenomen in de wet- en regelgeving’. Dat is flauw. Dat is flauw omdat de minister de Tweede Kamer al heeft beloofd dat hij deze wijziging doorvoert. En omdat het wijzigingsbesluit waarmee dat gebeurt, al klaar ligt. Met als ingangsdatum 1 april 2019. De (verplichte) consultatieperiode is inmiddels afgelopen.

Het CDFD zegt ook: als je de PE voor het diploma Adviseur consumptief krediet niet doet voor 1 april 2019, verlies je de adviesbevoegdheid op grond van dat diploma. Dat klopt. Maar dat is dus niet erg. Want als je wel het diploma Adviseur hypothecair krediet hebt, mag je ook (na 1 april 2019) in consumptief krediet adviseren.

En stel, stel, stel…..: iemand heeft nu beide diploma’s en doet géén PE meer voor het diploma Adviseur consumptief krediet. Zolang hij de PE voor Adviseur hypothecair krediet blijft doen, is er niets aan de hand. Maar over 10 jaar bedenkt hij dat hij geen hypotheekadviseur meer wil zijn en dat hij alleen nog in consumptief krediet wil adviseren. Dan moet hij dus kiezen. Hij kan (1) PE blijven doen voor zijn diploma Adviseur hypothecair krediet. Of (2) de adviesbevoegdheid van dat oude diploma Adviseur consumptief krediet herstellen met een ‘bijzonder PE-examen’. (Voor de liefhebber: zie art. 11 lid 4 BGfo.)

Hopelijk bent u het met mij eens dat dit een te theoretische situatie is om te rechtvaardigen dat een hypotheekadviseur in deze PE-periode PE voor het diploma Adviseur consumptief krediet gaat doen. Want hoeveel hypotheekadviseurs zullen ooit besluiten alleen als consumptief-kredietadviseur verder te gaan?

En bovendien: hoe zeker is het eigenlijk dat over 10 jaar dit vakbekwaamheidsstelsel en de PE-examens nog bestaan?

 

En zo blijven we bezig

Het moet niet, het moet wel, het moet niet, het moet wel.

Met de invoering van de Insurance Distribution Directive (IDD) worden ook de vakbekwaamheidseisen weer eens aangepast. Ook feitelijk-leidinggevenden van klantmedewerkers moeten straks weer vakbekwaam zijn. ‘Weer vakbekwaam zijn’, want die eis voor feitelijk-leidinggevenden bestond al in de periode 2006 tot en met 2013. Voor 2006 gold die eis niet en per 2014 is die eis afgeschaft. Maar nu komt ie toch weer terug. Wanneer? Als het goed is op 23-2-2018. Waarom? Omdat het moet van Europa. Want op die datum wordt de IDD van kracht. Wordt de IDD niet uitgesteld? Dat is nog maar de vraag.

De Wft-vakbekwaamheidseisen beginnen inmiddels veel weg te krijgen van een stuiterbal. In ongeveer 10 jaar tijd is de groep personen die vakbekwaam moet zijn al 4 keer gewijzigd. En de vakbekwaamheidseisen waaraan die groepen moeten voldoen, zijn ook al meermaals gewijzigd. Tot overmaat van ramp moet je voor de inhoud van die vakbekwaamheidseisen straks niet alleen in onze eigen nationale regelgeving kijken, maar moet je ook nog zoeken in bijlagen bij de IDD. Dat alles komt de duidelijkheid natuurlijk niet ten goede. Je moet als financieel-dienstverlener wel heel welwillend zijn om dat allemaal bij te houden. Zeker als je eigenlijk liever je aandacht aan klanten besteedt. Maar misschien is dat een onredelijke gedachte van mijn kant.

Enfin: voor die feitelijk-leidinggevenden van klantmedewerkers gelden straks dus opnieuw vakbekwaamheidseisen. Met onmiddellijke ingang. Er is géén overgangsperiode. Deze leidinggevenden hoeven (als zij zelf niet adviseren) géén Wft-diploma’s te hebben, maar moeten wel voldoen aan de minimumeisen die de IDD stelt. Die eisen zijn te vinden in Bijlage 1 bij de IDD. De (concepttekst van de) Memorie van Toelichting bij het BGfo zegt daarover dat die minimumeisen van de IDD overeenkomen met de eindtermen en toetstermen van de Wft-diploma’s. Dat lijkt mij overdreven. De IDD-eisen liggen duidelijk een slagje lager. Bovendien: de eind- en toetstermen van Wft-diploma’s omvatten óók andere kennis dan verzekeringskennis en dat doet IDD (uiteraard) niet. IDD gaat ten slotte alleen over verzekeringen.

Hier en daar wordt er voor gepleit om de invoering van IDD uit te stellen. In theorie kan dat. Maar ons Ministerie van Financiën heeft daar maar beperkte zeggenschap over. Want het gaat nu eenmaal om een Europese richtlijn, waarvan de invoeringsdatum al is afgesproken. De IDD heeft bovendien directe werking: dat betekent dat dat ding ook geldt als Wft en BGfo nog niet zijn aangepast. Dus: alleen ‘Europa’ kan tot uitstel beslissen.

IDD en provisietransparantie

De AFM pleit voor ‘actieve provisietransparantie’ bij schadeverzekering. Adfiz is daartegen. Toch is er volgens mij wel wat voor te zeggen, zeker als die actieve provisietransparantie ook gaat gelden voor een enkel product waar nu nog het provisieverbod voor geldt.

Bij provisieverbodproducten is het duidelijk. De klant betaalt en mag dus verwachten dat zijn belang behartigd wordt. Maar bij schadeverzekering blijft het wringen: de adviseur die zijn beloning niet van de klant ontvangt, maar van degene waarvan hij het product verkoopt. En voor dat advies dus alleen beloond wordt als er echt wat verkocht wordt. Die adviseur verkoopt dus eigenlijk ‘de klant’ aan de verzekeraar. Dat wringt, maar niettemin ben ik tegen een verbod op schadeprovisie. Als een adviseur een adviestarief moet gaan vragen voor (pak ‘m beet) een AVP, wordt er geen AVP meer verkocht.

Actieve provisietransparantie vind ik een mooie middenweg. Provisie mag, maar je moet de klant vertellen hoeveel en hoe vaak. Het tegenargument dat de bakker en de supermarkt óók niet hoeven te vertellen hoeveel ze aan de verkoop van een product verdienen, lijkt mij een onzin. Die bakker en die supermarkt profileren zich niet als adviseur, maar als verkoper. Dat doet een verzekeringsadviseur niet. Die profileert zich juist wèl als adviseur en níet als verkoper. Een beter argument dat ik vaak hoor, is dat de hoogte van die schadeprovisie de gemiddelde klant niet zo interesseert. Dat geloof ik ook. Maar dat argument kun je ook gebruiken om te betogen dat je het daarom best kunt vertellen.

Wat mij ronduit een voordeel lijkt, is dat provisietransparantie ook leidt tot een (meer) gelijk speelveld tussen bemiddelaars die niet adviseren en bemiddelaars die dat wel doen. Ook internetvergelijkers (waarvan veel klanten denken dat die hun diensten gratis verlenen) moeten dan hun beloning actief kenbaar maken, net als bijvoorbeeld autodealers en winkelbedrijven (denk: HEMA).

Tegelijk denk ik dat provisietransparantie ook een prachtige oplossing is voor een probleem dat ontstaan is door het provisieverbod. Er is een groeiend leger zzp-ers. Velen van hen aan de onderkant van de inkomensmarkt. Die hebben dringend behoefte aan een goed advies over inkomensverzekeringen en een passende inkomensverzekering. Maar juist hun inkomenssituatie is een serieus beletsel voor een goed advies en dus komt die verzekering er ook niet van.

Het opheffen van het provisieverbod voor individuele inkomensverzekeringen, onder gelijktijdige invoering van provisietransparantie voor dit product en andere schadeverzekeringen, lijkt mij een oplossing waarbij zowel de klant als het adviserende intermediair is gebaat.