‘Noodkreten’ als misleidende verkooptruc

Er werd alarm geslagen. Er werd gesproken over noodkreten, klokkenluiders en een brede marktcoalitie. De AFM zou moeten ingrijpen. En anders Kifid wel. Het nieuws werd ronkend gebracht. Maar het bleek vooral een kaartenhuis, een poging van enkele aanbieders om de eigen omzet te verhogen.

Volgens de ‘klokkenluiders’ zouden consumenten in de problemen kunnen komen. Oorzaak: bij hypotheken worden de laatste jaren drastisch minder overlijdensrisicoverzekeringen en woonlastenverzekeringen gesloten. Want: adviseurs zouden te weinig aandacht aan die producten schenken. En dat is allemaal de schuld van de AFM, aldus het bericht, want AFM handhaaft niet voldoende.

Eén van de toonaangevende partijen uit die ‘brede marktcoalitie’, Adfiz, nam de volgende dag meteen afstand van het bericht. Ja, er was wel een daling in ORV’s en woonlastenverzekeringen geconstateerd, maar waar dat aan lag en of dat nou echt een probleem was, dát moest nog worden uitgezocht. Dat lijkt mij ook. Want ik kan wel betere redenen bedenken dan adviseurs die daar te weinig aandacht aan zouden schenken en/of een falende AFM.

Tot een paar jaar geleden leverde elke meeverkochte ORV en woonlastenverzekering provisie op voor de adviseur. Bij woonlastenverzekeringen soms zelf schandalig veel. 50 tot 90% van de koopsom (!) was geen uitzondering. Het provisieverbod maakte een einde aan die wantoestand. Daardoor verdween ook een flink aantal ‘hypotheekadviesbedrijven’, dat (met warme steun van een aantal verzekeraars – die betaalden natuurlijk die provisies, vaak zelfs op voorschotbasis) van die foute handel juist hun verdienmodel had gemaakt.

Sinds het provisieverbod betaalt de klant voor een advies. Er is geen enkel eigen belang van de adviseur hoe dat advies eruit ziet. Daardoor kan de adviseur zuiverder advies geven: waar heeft de klant echt behoefte aan? Geen enkele adviseur heeft er nog baat bij om als onderdeel van zijn advies een ORV en/of woonlastenverzekering mee te verkopen. Niet iedereen zal het leuk vinden om te horen, maar je kunt de daling in verkoop van ORV’s en woonlastenverzekeringen dus verklaren met: hé, dat systeem van betaald advies werkt!

Natuurlijk is de keerzijde van het provisieverbod dat er minder ORV’s en woonlastenverzekeringen worden meeverkocht. Vooral de verzekeraars die die producten hoog in hun verdienmodel hebben zitten, vinden dat vervelend. Dat snap ik. Maar dat is geen maatschappelijk probleem. Een opzetje om dat te wijten aan adviseurs die slecht zouden adviseren of aan de AFM die zou falen bij het toezicht, lijkt mij niet terecht. Ik ken geen enkel onderzoek waaruit blijkt dat adviseurs in dit opzicht te kort schieten.

Dit soort noodkreten leidt tot de gedachte dat omzet belangrijker is dan ‘klant centraal’.

 

Naast boetes bestaan ook gevoelsboetes

Hoe komt het toch dat veel financiëledienstverleners denken dat de AFM veel boetes uitdeelt, terwijl dat niet of nauwelijks het geval is? Kennelijk heb je naast gevoelstemperatuur ook gevoelsboetes.

Afgelopen maandag hebt u naar een NIBE-SVV-webinar over zorgplicht kunnen kijken. Misschien hebt u dat ook wel gedaan, want meer dan 800 deelnemers hadden zich aangemeld. (Als u het gemist hebt, u kunt het webinar binnenkort terugkijken via nibesvv.nl). Tijdens dat webinar werd aan de kijkers gevraagd: ‘hoeveel boetes denkt u dat de AFM dit jaar heeft uitgedeeld in verband met het niet-nakomen van de zorgplicht?’. De kijkers mochten kiezen uit drie antwoorden: nul boetes, 3 boetes of 12 boetes. Een ruime meerderheid koos voor 12 boetes. Het juiste antwoord (14%) was nul boetes. Maar het gevoel bij 86% van de financieeldienstverleners is dus anders. Hoe komt dat?

Mijn inschatting is dat veel financieeldienstverleners het thema ‘zorgplicht’ volledig toeschrijven aan de Wft. Elke keer als een rechter of Kifid oordeelt dat in een bepaalde situatie de zorgplicht niet (of niet behoorlijk) is nagekomen, voelt dat voor veel financieeldienstverleners als een rechtstreekse consequentie van de Wft.

Maar zorgplicht en Wft hebben niet zo veel met elkaar te maken als vaak gedacht wordt. Zorgplicht is meestal: gewoon je werk als financiëledienstverlener fatsoenlijk verrichten. Want dat is nou eenmaal de taak van een professionele dienstverlener. Daar mag de klant op rekenen, daar betaalt hij (linksom of rechtsom) voor. Inderdaad: in de Wft worden enkele, eigenlijk vanzelfsprekende minimumeisen aan die zorgplicht gesteld (zoals: je moet je klant informeren over wat je eigenlijk aanbiedt). Maar verreweg de meeste zorgplicht die een financieeldienstverlener heeft, vloeit niet voort uit de Wft, maar uit zijn contractuele relatie met de klant. Advies, bemiddeling en begeleiding tijdens de looptijd beloven is niet vrijblijvend. Belofte maakt schuld.

Uitspraken van rechters en Kifid gaan bijna altijd om die contractuele zorgplicht, niet om de Wft-zorgplicht. Het gaat daarmee ook niet om boetes, maar om schadevergoedingen, omdat er ergens iets fout ging. Zo’n zorgplichtfout kost de financiëledienstverlener vaak geld. Dat voelt kennelijk als een boete van de AFM.

De AFM kijkt wel uit met het snel geven van boetes. Veel te omslachtig en nauwelijks effectief als het om gedragsverandering gaat. Daar zijn ze aan de Vijzelgracht veel te slim voor.

De spagaat van provisiebepalingen

Soms lijkt de Wft te verplichten tot verboden beloningen. Of tot een verbod op producten die voor een klant juist heel zinvol kunnen zijn. Dat komt door de spagaat in provisiebepalingen.

Stel: ik wil een consumptief krediet van € 25.000,- met een looptijd van enkele jaren. Mijn adviseur komt met een aanbieding voor een dergelijk krediet. Hij vertelt mij dat deze aanbieding het voordeel biedt dat bij overlijden de restschuld volledig wordt kwijtgescholden. Als ik alleenstaand ben, maakt mij dat misschien niet uit; als ik een gezin, kinderen en een hypotheek heb misschien wel. Maar de vraag is of dit product wel mag van de Wft. Voor de goede orde: het product bestaat al geruime tijd.

Het probleem zit in de provisie. Of liever: in de provisieregels van de Wft. Bij consumptief krediet is alleen doorlopende provisie van de aanbieder toegestaan. Aan de klant mogen voor advisering en/of bemiddeling in consumptief krediet geen kosten in rekening worden gebracht. Bij overlijdensrisicoverzekeringen is het juist andersom. De aanbieder mág geen provisie geven; aan de klant moeten advies- en/of distributiekosten in rekening worden gebracht.

Het product in mijn voorbeeld is een combinatie van een consumptief krediet (doorlopende provisie móet) en een overlijdensrisicoverzekering (provisie verboden). Los dat maar eens op. Voor zover ik kan nagaan, ‘lost’ de aanbieder van dit product het probleem op door het geheel als consumptief krediet te beschouwen. Dus: doorlopende provisie te betalen. Daar kan ik wel begrip voor hebben. Maar de vraag is of het mag.

De AFM lijkt het probleem op haar website een beetje te omzeilen. Enerzijds wordt vastgesteld dat er inderdaad twee verschillende beloningssystemen zijn en dat bij consumptief krediet géén directe vergoeding aan klanten gevraagd mag worden. Anderzijds staat een paar regels verder: ‘Voor de werkzaamheden op het gebied van bijverzekeringen mag u wel een directe vergoeding in rekening brengen bij de klant.’ Let op het woordje ‘mag’ in de voorgaande zin. Dat suggereert dat het niet hoeft. Dat adviseurs ook ‘gratis’ advies- en bemiddelingsdiensten aan de klant verlenen. Wat natuurlijk onzin is. ‘There is no such thing as a free lunch’.

Dat weet de AFM ook. Want enkele regels lager verordonneert de AFM (geheel terecht overigens!): ‘Het dienstverleningstraject voor het consumptief krediet en het traject voor de bijverzekeringen dienen duidelijk van elkaar te worden gescheiden.’ Maar ja, hoe kun je een dergelijke scheiding volhouden als het gaat om de bemiddeling/advisering van een samengesteld product? De prijs (premie) voor de overlijdensrisicoverzekering is natuurlijk verdisconteerd in de kredietvergoeding. De kredietvergoeding is weer leidend voor de hoogte van de doorlopende provisie.

Kortom: er blijft een spagaat in de provisiebepalingen, die lijkt op de oude veiligheidsmaatregelen bij de spoorwegen. (Eén medewerker moet continu opletten of er een trein aankomt en alsdan op een fluitje blazen. Maar tegelijk moeten alle medewerkers gehoorbeschermers dragen om gehoorbeschadiging te voorkomen.)

Banken en voetballen

Eén van de grootste banken in ons land weigert voortaan betaaldvoetbalclubs. Het compliancerisico zou te groot zijn. Serieus beleid? Zo ja, wie en wat volgt? Of is het een opzetje?

Een paar weken geleden maakte de minister van Financiën een ‘plan van aanpak Witwassen’ bekend. Centraal in dat plan staat dat de financiële sector, banken en verzekeraars, zijn poortwachtersfunctie beter moet uitoefenen. Het is natuurlijk geen toeval dat prompt een grote bank (ja, u weet ook wel welke dat is, maar ik probeer het noemen van namen altijd zoveel mogelijk te vermijden) zich terugtrekt als bankier van clubs in het betaalde voetbal. Medewerkers van die bank mogen ook niet (langer) nevenfuncties in het betaald voetbal meer aannemen. Want: dit soort clubs zou ‘verhoogde tot onacceptabele risico’s op witwassen, corruptie, fraude en overige misstanden meebrengen’.

Als dat serieus beleid is, gaat die bank natuurlijk ook stoppen als sponsor van verschillende clubs uit het betaalde voetbal. Iets wat die bank nu nog doet! Geen bankzaken met een club willen doen, maar wel in de skybox je relaties ontvangen; dat gaat niet samen. Zo’n beleid houdt vervolgens niet op bij de Eredivisie en Eerste divisie. In het amateurvoetbal, zeker in de Tweede divisie, gaan ook de nodige geldstromen rond waarvan de herkomst nogal twijfelachtig is. Trouwens: hoe zit dat bij andere sporten waar veel sponsorgeld in omgaat en waar dikbetaalde sporters rondlopen? En vooral, áls het zo’n serieus probleem is dat een hele sector moet worden uitgesloten, zijn andere banken dan niet gedwongen te volgen?

Maar in de wandelgangen (oh, heerlijke wandelgangen) hoor ik wel dat er sprake zou zijn van een opzetje. Banken zijn de steeds strengere compliance-eisen, de druk en kritiek vanuit overheid en toezichthouders, en ook de boetes en negatieve publiciteit spuugzat. Bovendien kost het ze vele honderden miljoenen per jaar. Het ‘plan van aanpak Witwassen’ is de druppel. Tegelijk weten de banken: klagen helpt niet. Banken en in iets mindere mate verzekeraars, hoeven niet te rekenen op enig begrip van het grote publiek en dus ook niet van de politiek. Dat krediet is sinds de bankcrisis en de daarop volgende salarisschandalen wel verspeeld.

Dus: mogelijk heeft iemand de briljante gedachte gehad dat je het volk moet laten weten dat zijn spelen in gevaar komen. Zeker als het om voetbal gaat, ontstaat dan vanzelf een volksopstand, die de politiek en daarmee de toezichthouders op andere gedachten brengt. Menig stadsbestuur van betaaldvoetbalclubs die door megalomaan beleid in of over de rand van faillissement dreigden te komen, kan daarvan meepraten.

Iemand vroeg mij vorige week heel lief: zouden banken zo doortrapt zijn?

Beleidsregel Geschiktheid mist een vrouwenquotum

DNB en AFM hebben een gewijzigde Beleidsregel Geschiktheid ter consultatie aan de markt voorgelegd. Wat ik daarin mis is een vrouwenquotum.

De Beleidsregel Geschiktheid 2012 vormt het toetsingskader voor beleidsbepalers van financiële ondernemingen. De beleidsregel is ingevoerd na de bankencrisis, toen bleek dat die crisis mede was veroorzaakt doordat bepaalde beleidsbepalers eigenlijk niet zo ‘geschikt’ waren voor hun functie. Door een gebrek aan deskundigheid, belangentegenstellingen met andere functies, te weinig tijd voor een goede functie-uitoefening, maar zeker ook vanwege een te hoge neiging tot het nemen van risico’s. Aanpassing van de Beleidsregel is onder meer nodig om veranderingen in nationale en Europese wetgeving te verwerken.

Het zou mooi zijn als in de uiteindelijk gewijzigde Beleidsregel ook een vrouwenquotum wordt opgenomen. Al jaren blijft het aantal vrouwen in de top van financiële ondernemingen achter bij wat maatschappelijk als wenselijk wordt beschouwd. Nu is dat in andere sectoren in onze maatschappij ook het geval (en zo triest als bij de TU Eindhoven is het bij de meeste banken en verzekeraars nog net niet) maar juist in de financiële dienstverlening is er veel voor te zeggen dat ook de toezichthouders hier een taak hebben. Want één van de oorzaken dat de Beleidsregel Geschiktheid is ingevoerd, is toch juist dat het mannenwereldje dat de topfuncties uitoefent teveel haantjesgedrag vertoonde.

Belangrijke eigenschappen die gemiddeld genomen aan vrouwen worden toegeschreven, kunnen daar verandering in brengen. Denk aan wat meer risicoavers gedrag, zorgzaamheid en beter naar elkaar luisteren in plaats van alleen het eigen gelijk nog eens uitleggen. Maar dergelijk gedrag komt alleen tot zijn recht als het aantal vrouwen in die top niet ondergesneeuwd blijft. En ook om het gevaar te voorkomen dat de spaarzame vrouwen die er zijn, teveel mannengedrag gaan vertonen. Want mensen die in een groep functioneren (ongeacht of het mannen of vrouwen zijn) passen zich altijd in zekere mate aan de groepsnormen aan.

Hoewel het bij de toetsing van nieuwe beleidsbepalers altijd om het individu gaat, speelt de samenstelling van het team waarin dat individu moet functioneren een belangrijke rol. Daarom zegt het aftoetsen op het thema ‘geschiktheid’ van een beleidsbepaler niets over zijn of haar uiteindelijke kwaliteiten. Ook een voortreffelijke beleidsbepaler kan worden afgetoetst, simpel omdat hij niet past in het team of daaraan alleen kwaliteiten toevoegt die al in ruime mate aanwezig zijn. (Bij het aftoetsen op betrouwbaarheid ligt dat natuurlijk anders; dat kleeft wel aan.)

Kortom: het is nog een consultatievoorstel. Ik pleit voor een vrouwenquotum. Er lopen ruim voldoende heel geschikte vrouwen rond in deze branche.

Pensioenkapitaal benutten: ook de wetgever vindt het lastig

Welke adviseur mag een werknemer adviseren over het benutten van zijn pensioenkapitaal? Dat lijkt een eenvoudige vraag. Eigenlijk is dat het ook. Toch lijken wetgever en AFM daar hun nek over te breken.

Een werknemer kan besluiten om met het vrijvallende kapitaal van zijn pensioenverzekering een lijfrente te kopen. Hij kan ook besluiten tot doorbeleggen bij de pensioenuitvoerder, al dan niet in combinatie met een periodieke uitkering. Omdat de meeste werknemers geen flauw benul hebben van de mogelijkheden en de gevolgen daarvan voor hun persoonlijke situatie is het verstandig als zij zich daarover goed laten adviseren. Maar de vraag is: welke adviseur is bevoegd?

Als een klant met een kapitaal een lijfrente wil kopen, dan is de Adviseur vermogen bevoegd. Ongeacht of hij dat geld van zijn overleden tante heeft gekregen of dat het een vrijvallend pensioenkapitaal is. Maar als de klant besluit tot doorbeleggen, dan valt te verdedigen dat alleen de Adviseur pensioen bevoegd is, omdat dan de oorspronkelijk door de werkgever gesloten pensioenovereenkomst van kracht blijft. De Adviseur pensioen (per definitie ook Adviseur vermogen) kan bij dit soort complexe zaken dus het meest uitgebreide advies geven. Die gedachte wordt overigens niet door iedereen gedeeld, maar dat terzijde.

Omdat de wetgever die gedachte wel omhelst, wil hij regelen dat adviezen over vrijvallend pensioenkapitaal voortaan alleen door de Adviseur pensioen mogen worden gegeven. Daartoe wordt per 1 april 2019 het BGfo gewijzigd. De AFM stuurde er alvast een nieuwbericht over. Maar volgens mij gaat er iets half mis.

Wat goed gaat (maar niet nodig is): in het BGfo is vanaf 1 april de omschrijving van ‘pensioen’ zo gewijzigd dat ook ‘de aankoop van een variabele of vaste uitkering uit een kapitaalovereenkomst’ daaronder valt. Die wijziging is dus niet nodig, juist omdat een Adviseur pensioen altijd ook Adviseur vermogen is. Dus daarover mocht hij toch al adviseren. Wat mis gaat: de omschrijving van ‘vermogen’ blijft ongewijzigd. Dus mag de Adviseur vermogen ook ná 1 april 2019, nog steeds, adviseren over de ‘aankoop van een variabele of vaste uitkering uit een kapitaalovereenkomst’.

Over hoe erg dat precies is, verschillen de meningen. Ook al omdat het uurtarief van een pensioenadviseur wel eens hoger zou kunnen zijn dan van een levensverzekeringadviseur. En de klant heeft ook belang bij de hoogte van advieskosten. In elk geval lijkt het waarschuwende nieuwsbericht van de AFM van 4 maart mij onjuist.

U weet: tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Tussen doel en daad daarentegen staan alleen praktische bezwaren in de weg. Zoals het praktische bezwaar dat wetten soms zo ingewikkeld zijn dat ook wetgever en toezichthouder het niet meer kunnen volgen.

Een nieuwe Wft-PE-methode?

Met dank aan de IDD geldt voor feitelijk-leidinggevenden sinds 1 oktober weer een vakbekwaamheidseis. Ik zeg ‘weer’, want tot 1 januari 2014 gold voor die feitelijk-leidinggevenden al een vakbekwaamheidseis. Maar die werd afgeschaft. En nu weer ingevoerd. Bijna hetzelfde, maar niet helemaal.

Anders dan voor adviserende medewerkers geldt voor leidinggevenden geen diplomaeis. Tenslotte is de IDD een Europese richtlijn en in de EU zijn ze niet dol op diplomaeisen. Want die zouden dan in alle lidstaten moeten gelden. Eigenlijk is binnen de EU alleen onze minister van Financiën van de diplomaeisen. Maar ja: om nu met een diplomaeis te komen voor feitelijk-leidinggevenden, kort nadat hijzelf elke vakbekwaamheidseis voor feitelijk-leidinggevenden had afgeschaft, ging hem kennelijk ook te ver. Daarom is in de Wft alleen de minimumeis uit de IDD terecht gekomen. De feitelijk-leidinggevende moet vakbekwaam zijn, maar volgens een halfhartig soort open norm.

Hoe controleer je zo’n open norm zonder officiële toetsen of diploma’s? ‘Daar’, zo zal de minister glimlachend bedacht hebben, ‘hebben we gelukkig een toezichthouder voor’. En dus wordt er sinds 1 oktober in het BGfo rechtstreeks verwezen naar Bijlage 1 IDD, waar die vakbekwaamheidseisen in staan. Aangevuld met de mededeling dat die feitelijk-leidinggevenden ten minste 15 uur per jaar aan permanente educatie (PE) moeten doen. Die eis geldt zowel voor verzekeraars als voor bemiddelaars, maar voor verzekeraars geldt de aanvullende eis dat ‘alle relevante documentatie met betrekking tot de toepassing’ moet worden vastgelegd en bijgehouden. De minister kent zijn pappenheimers: vakbekwaamheid bij feitelijk-leidinggevenden is bij bemiddelaars doorgaans beter geregeld dan bij verzekeraars.

De AFM lijkt wat meer moeite te hebben met de invulling. Zij verwijst in haar factsheet naar de Wft-modules Basis, Schadeverzekering particulieren en Schadeverzekering zakelijk. Dat lijkt mij geen handig advies. Het moduul Basis is voor een belangrijk deel bancair (en dat is hier niet relevant). En in de beide schademodules staat niets over levens- en beleggingsverzekeringen. Terwijl het geen toeval is dat juist die onderwerpen ruwweg 2/3 van de IDD-vakbekwaamheidseisen uitmaken. De verkoopschandalen deden zich voor bij levens- en beleggingsverzekeringen, niet bij schadeverzekeringen. Dus lijkt het advies aan leidinggevenden om te kiezen voor een brede verzekeringsopleiding toekomstbestendiger.

Waar ik wel benieuwd naar ben: hoe effectief is het stellen van een urennorm voor de PE? Gaat dat er niet aan voorbij dat ‘leren’ iets is, dat een professional elke dag doet? Vaak zelfs onbewust? En is de hoeveelheid tijd die nodig is voor PE niet heel erg afhankelijk van het vakgebied waarin je leiding geeft? Moet elke feitelijk-leidinggevende zijn PE-uren zelf in een excelsheet gaan bijhouden? Doet HRM dat? Hoe?

Maar vooral, als de minister vertrouwen in deze methode heeft: waarom dan niet de PE-examens voor adviserende medewerkers ingeruild voor dit systeem?