Pensioenkapitaal benutten: ook de wetgever vindt het lastig

Welke adviseur mag een werknemer adviseren over het benutten van zijn pensioenkapitaal? Dat lijkt een eenvoudige vraag. Eigenlijk is dat het ook. Toch lijken wetgever en AFM daar hun nek over te breken.

Een werknemer kan besluiten om met het vrijvallende kapitaal van zijn pensioenverzekering een lijfrente te kopen. Hij kan ook besluiten tot doorbeleggen bij de pensioenuitvoerder, al dan niet in combinatie met een periodieke uitkering. Omdat de meeste werknemers geen flauw benul hebben van de mogelijkheden en de gevolgen daarvan voor hun persoonlijke situatie is het verstandig als zij zich daarover goed laten adviseren. Maar de vraag is: welke adviseur is bevoegd?

Als een klant met een kapitaal een lijfrente wil kopen, dan is de Adviseur vermogen bevoegd. Ongeacht of hij dat geld van zijn overleden tante heeft gekregen of dat het een vrijvallend pensioenkapitaal is. Maar als de klant besluit tot doorbeleggen, dan valt te verdedigen dat alleen de Adviseur pensioen bevoegd is, omdat dan de oorspronkelijk door de werkgever gesloten pensioenovereenkomst van kracht blijft. De Adviseur pensioen (per definitie ook Adviseur vermogen) kan bij dit soort complexe zaken dus het meest uitgebreide advies geven. Die gedachte wordt overigens niet door iedereen gedeeld, maar dat terzijde.

Omdat de wetgever die gedachte wel omhelst, wil hij regelen dat adviezen over vrijvallend pensioenkapitaal voortaan alleen door de Adviseur pensioen mogen worden gegeven. Daartoe wordt per 1 april 2019 het BGfo gewijzigd. De AFM stuurde er alvast een nieuwbericht over. Maar volgens mij gaat er iets half mis.

Wat goed gaat (maar niet nodig is): in het BGfo is vanaf 1 april de omschrijving van ‘pensioen’ zo gewijzigd dat ook ‘de aankoop van een variabele of vaste uitkering uit een kapitaalovereenkomst’ daaronder valt. Die wijziging is dus niet nodig, juist omdat een Adviseur pensioen altijd ook Adviseur vermogen is. Dus daarover mocht hij toch al adviseren. Wat mis gaat: de omschrijving van ‘vermogen’ blijft ongewijzigd. Dus mag de Adviseur vermogen ook ná 1 april 2019, nog steeds, adviseren over de ‘aankoop van een variabele of vaste uitkering uit een kapitaalovereenkomst’.

Over hoe erg dat precies is, verschillen de meningen. Ook al omdat het uurtarief van een pensioenadviseur wel eens hoger zou kunnen zijn dan van een levensverzekeringadviseur. En de klant heeft ook belang bij de hoogte van advieskosten. In elk geval lijkt het waarschuwende nieuwsbericht van de AFM van 4 maart mij onjuist.

U weet: tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Tussen doel en daad daarentegen staan alleen praktische bezwaren in de weg. Zoals het praktische bezwaar dat wetten soms zo ingewikkeld zijn dat ook wetgever en toezichthouder het niet meer kunnen volgen.

Advertenties

Een nieuwe Wft-PE-methode?

Met dank aan de IDD geldt voor feitelijk-leidinggevenden sinds 1 oktober weer een vakbekwaamheidseis. Ik zeg ‘weer’, want tot 1 januari 2014 gold voor die feitelijk-leidinggevenden al een vakbekwaamheidseis. Maar die werd afgeschaft. En nu weer ingevoerd. Bijna hetzelfde, maar niet helemaal.

Anders dan voor adviserende medewerkers geldt voor leidinggevenden geen diplomaeis. Tenslotte is de IDD een Europese richtlijn en in de EU zijn ze niet dol op diplomaeisen. Want die zouden dan in alle lidstaten moeten gelden. Eigenlijk is binnen de EU alleen onze minister van Financiën van de diplomaeisen. Maar ja: om nu met een diplomaeis te komen voor feitelijk-leidinggevenden, kort nadat hijzelf elke vakbekwaamheidseis voor feitelijk-leidinggevenden had afgeschaft, ging hem kennelijk ook te ver. Daarom is in de Wft alleen de minimumeis uit de IDD terecht gekomen. De feitelijk-leidinggevende moet vakbekwaam zijn, maar volgens een halfhartig soort open norm.

Hoe controleer je zo’n open norm zonder officiële toetsen of diploma’s? ‘Daar’, zo zal de minister glimlachend bedacht hebben, ‘hebben we gelukkig een toezichthouder voor’. En dus wordt er sinds 1 oktober in het BGfo rechtstreeks verwezen naar Bijlage 1 IDD, waar die vakbekwaamheidseisen in staan. Aangevuld met de mededeling dat die feitelijk-leidinggevenden ten minste 15 uur per jaar aan permanente educatie (PE) moeten doen. Die eis geldt zowel voor verzekeraars als voor bemiddelaars, maar voor verzekeraars geldt de aanvullende eis dat ‘alle relevante documentatie met betrekking tot de toepassing’ moet worden vastgelegd en bijgehouden. De minister kent zijn pappenheimers: vakbekwaamheid bij feitelijk-leidinggevenden is bij bemiddelaars doorgaans beter geregeld dan bij verzekeraars.

De AFM lijkt wat meer moeite te hebben met de invulling. Zij verwijst in haar factsheet naar de Wft-modules Basis, Schadeverzekering particulieren en Schadeverzekering zakelijk. Dat lijkt mij geen handig advies. Het moduul Basis is voor een belangrijk deel bancair (en dat is hier niet relevant). En in de beide schademodules staat niets over levens- en beleggingsverzekeringen. Terwijl het geen toeval is dat juist die onderwerpen ruwweg 2/3 van de IDD-vakbekwaamheidseisen uitmaken. De verkoopschandalen deden zich voor bij levens- en beleggingsverzekeringen, niet bij schadeverzekeringen. Dus lijkt het advies aan leidinggevenden om te kiezen voor een brede verzekeringsopleiding toekomstbestendiger.

Waar ik wel benieuwd naar ben: hoe effectief is het stellen van een urennorm voor de PE? Gaat dat er niet aan voorbij dat ‘leren’ iets is, dat een professional elke dag doet? Vaak zelfs onbewust? En is de hoeveelheid tijd die nodig is voor PE niet heel erg afhankelijk van het vakgebied waarin je leiding geeft? Moet elke feitelijk-leidinggevende zijn PE-uren zelf in een excelsheet gaan bijhouden? Doet HRM dat? Hoe?

Maar vooral, als de minister vertrouwen in deze methode heeft: waarom dan niet de PE-examens voor adviserende medewerkers ingeruild voor dit systeem?

Woekerpolis 2.0.

Verzekeraars weten dat je geen onhaalbare, torenhoge rendementen aan klanten moet voorspiegelen. Dat leidt tot teleurstellingen. Tenslotte had waarschijnlijk nooit iemand geklaagd over beleggingsverzekeringen als de rendementen op het niveau van de jaren 90 waren gebleven. U weet misschien nog wel: die periode van de Nieuwe Economie. Toen, nog geen 20 jaar geleden, waren nagenoeg alle economen ervan overtuigd dat de beurskoersen nog maar één kant op konden: omhoog. Dat leidde dus tot de woekerpolis.

Verzekeraars weten inmiddels beter. Die hebben allang geleerd dat in het verleden behaalde resultaten geen garantie voor de toekomst geven. Zeker niet als dat verleden een toevallige, korte en rooskleurige periode betreft. De EU is nog niet zover.
Na vele jaren denken, internationaal overleg en consultatietrajecten (onze toezichthouders zaten daarbij) is op 1 januari van dit jaar een nieuwe Europese richtlijn van kracht geworden. Die draagt de fraaie naam: PRIIPS. PRIIPS staat voor Packaged Retail and Insurance based Investment Products. In gewoon Nederlands: beleggingsverzekeringen.

Nu worden beleggingsverzekeringen de laatste jaren niet zoveel verkocht als vroeger. U begrijpt wel waarom. Maar los van het imago komt dat ook omdat de financiële bijsluiter die verzekeraars bij dit soort producten moesten hanteren een beleggingshorizon kende van 20 jaar. Dat leidde er vanzelf toe dat onverantwoord hoge rendementen niet meer werden voorgespiegeld. En dus consumenten ook niet meer werden verleid met bomen die tot in de hemel groeiden. Maar die financiële bijsluiter bestaat niet meer. In plaats daarvan schrijft PRIIPS het gebruik van een ‘Essentieel Informatiedocument’ (EId) voor.

(Even tussendoor: ergens in Brussel zit, denk ik, een clubje Europese ambtenaren in een achterkamertje namen en afkortingen te verzinnen. Jaarlijks reiken zij onderling prijzen uit voor de meest onzinnige benaming.)

Terug naar PRIIPS. In plaats van een beleggingshorizon van 20 jaar schrijft PRIIPS dwingend een beleggingshorizon van 5 jaar voor, die in het EId moet worden opgenomen. En omdat we – toevallig – 5 jaar met gemiddeld heel rooskleurige cijfers achter de rug hebben, worden de rendementen van beleggingsverzekeringen nu weer buitengewoon rooskleurig voorgesteld. Zelfs in de ‘gematigde scenario’s’. Het FD geeft een mooi voorbeeld: het gemiddeld rendement wereldwijd was de afgelopen 20 jaar ongeveer 6% en de laatste 5 jaar gemiddeld 12%. U begrijpt wat zo’n verschil voor de uitkomst van een prognose over 30 jaar betekent: 6% betekent ruwweg een rendement van 500% over een periode van 30 jaar; bij 12% is het rendement ruwweg 3100%. Ruim 6 keer zoveel.

Wat het echt leuk maakt: verzekeraars hebben een brief naar de AFM gestuurd, waarin zij hun zorgen uitspreken. Zij zijn nu gedwongen potentiële klanten rendementen voor te spiegelen die zij zelf onwaarschijnlijk achten. De woekerpolis 2.0. is geboren.

Objectieve analyse?

Een goed advies is zijn geld waard. Meestal in elk geval. En daarvoor heb je een goede adviseur nodig. Maar hoe herken je een goede adviseur? Of liever: hoe herkent de klant een goede adviseur? Dat is lastig, want adviseurs zijn er in veel verschijningsvormen: variërend van de zelfstandige, onafhankelijke adviseur, die adviseert op basis van een grondige analyse tot de ‘adviseur’ die voor een financieel product 100% gebonden is aan één aanbieder.

Het is jammer dat de politiek nooit de moeite heeft willen nemen om het gebruik van de termen ‘adviseur’ en ‘advies’ zó te beschermen dat alleen onafhankelijke adviseurs die aan strenge voorwaarden voldoen, die titel mogen gebruiken. Vergis u trouwens niet in de keuzes die dat nog zou vergen (met hoeveel aanbieders moet ten minste zaken worden gedaan en geldt dat dan per productvorm, is een eigen volmacht een beletsel, e.d.?).

Omdat de wetgever het laat afweten, is het voor de klant lastig om te bepalen welke adviseur bij hem past. Dat is raar, want al dat gedragstoezicht en al die informatieverplichtingen zijn bedoeld om de klant te beschermen. Om hem in staat te stellen zoveel mogelijk geïnformeerde keuzes te kunnen maken. En ook om die reden worden straks met de invoering van de Insurance Distribution Directive (IDD, waarschijnlijk pas per 1 oktober 2018) de informatieplichten voor de adviseur verder uitgebreid. Hij moet straks ook bij schadeverzekeringen vooraf aan de klant laten weten of hij adviseert op basis van een objectieve analyse.

De AFM heeft al weten hoe dat begrip gaat worden uitgelegd. Daarvoor is het nodig dat er een analyse wordt gemaakt van meer dan 50% van in de markt verkrijgbare vergelijkbare verzekeringen. En natuurlijk: omdat de AFM ook zal willen weten of een adviseur zo’n vergelijking wel zorgvuldig genoeg maakt, moet deze dat gehele proces gedetailleerd vastleggen. En periodiek herhalen natuurlijk, want producten blijven niet hetzelfde. Ik probeer mij voor te stellen hoe een adviseur, of liever: het intermediairsbedrijf waar hij werkt, dat moet doen. Voor autoverzekeringen, inboedelverzekeringen, cyberverzekeringen en ga zo maar door. Hebt u enig idee hoeveel soorten schadeverzekeringen er zijn? Honderden? En vervolgens probeer ik me voor te stellen hoe zo’n uiteindelijke analyse van zo veel verschillende verzekeringssoorten er uit ziet. En als laatste probeer ik me voor te stellen hoe elke adviseur binnen dat bedrijf die uitgebreide analyse voor elke individuele klant apart zou moeten verwerken in zijn advies. Ik probeer het me voor te stellen, maar het lukt me niet.

In dat verband: zelfs gerenommeerde internetsites (die alleen de analyse hoeven te maken en niet de resultaten in een klantadvies hoeven te verwerken) lukt het niet dergelijke analyses te maken. Die komen toch – nog steeds – niet zo heel veel verder dan alleen een vergelijking op premie en een beperkt aantal randvoorwaarden. Adviseren op basis van een objectieve analyse is straks een volstrekte illusie.

Wel jammer dat ook op Europees niveau maatregelen die bedoeld zijn om de consument te helpen steeds meer ontaarden in studeerkameroplossingen die hun werking volledig gaan missen.

Falend kwaliteitsbeleid en een terechte boete

De AFM heeft van de rechter op haar kop gekregen. De rechter vernietigde de boetes die AFM aan twee grote accountantskantoren had uitgedeeld. Ik hoop dat de AFM in beroep gaat. Die boetes leken mij juist heel terecht.

De AFM had onderzocht of de accountantskantoren hun werk goed hadden gedaan. Van de 40 door de AFM gecontroleerde jaarrekeningen bleken er 18 ondeugdelijk. Bij die 18 hadden de accountants de jaarrekening niet mogen goedkeuren. 18 op de 40; dat is bijna de helft. De AFM trok daaruit de conclusie dat deze kantoren hun zorgplicht niet goed hadden vervuld. En dus kregen die kantoren een boete.

KPMG (1,2 miljoen boete) en Deloitte (1,8 miljoen boete) accepteerden de boete, maar de twee andere accountantskantoren (PWC, 845.000 boete) en EY (2,2 miljoen boete) gingen in beroep. Het verweer: ja, er waren wel fouten gemaakt, maar dat betekent nog niet dat de zorgplicht is geschonden, want ‘ons kwaliteitsbeleid’ is prima op orde. De rechter oordeelde dat dat verweer steek houdt. Volgens de rechter mag de AFM aan het maken van fouten door individuele accountants niet de conclusie verbinden dat daarmee het kwaliteitsbeleid van het gehele kantoor niet deugt.

Die uitspraak van de rechter lijkt mij bedenkelijk. Natuurlijk: fouten worden overal gemaakt. Als bij controle van 40 dossiers blijkt dat er 1 of 2 niet in orde zijn, kan ik me voorstellen dat daar een individuele fout aan ten grondslag ligt. Dat is niet per se bepalend voor het kwaliteitsbeleid van een organisatie. Maar bij 18 van de 40 is dat anders. Dan is het geen individuele fout meer, dan is het een structureel probleem. Een kwaliteitsprobleem, zeg maar. Dat geldt temeer omdat de AFM in de twee jaar daarna nog eens 32 dossiers van deze kantoren heeft gecontroleerd. Daarvan bleken er 19 niet in orde. 19 van de 32; dat is meer dan de helft. Het lijkt dus erger geworden, ondanks dat deze accountantskantoren ná de eerste boetes beterschap beloofden en maar liefst 53 ‘verbetermaatregelen’ hadden toegezegd.

Als er bij een organisatie zoveel fouten worden gemaakt, die niet tijdig door die organisatie zelf worden ontdekt en gecorrigeerd, dan lijkt mij de conclusie gerechtvaardigd dat het kwaliteitsbeleid ten aanzien van de zorgplicht tekort schiet. Als dat niet zou mogen, maakt de rechter het werk van de AFM onmogelijk. Trouwens: ook aan het toezeggen van zoveel ‘verbetermaatregelen’ kun je toch al de conclusie verbinden dat die kantoren zelf ook vonden dat hun kwaliteitsbeleid tekort schoot.

Ik hoop van harte dat de AFM in beroep gaat. Ik wens AFM daarbij alle succes.

IDD en provisietransparantie

De AFM pleit voor ‘actieve provisietransparantie’ bij schadeverzekering. Adfiz is daartegen. Toch is er volgens mij wel wat voor te zeggen, zeker als die actieve provisietransparantie ook gaat gelden voor een enkel product waar nu nog het provisieverbod voor geldt.

Bij provisieverbodproducten is het duidelijk. De klant betaalt en mag dus verwachten dat zijn belang behartigd wordt. Maar bij schadeverzekering blijft het wringen: de adviseur die zijn beloning niet van de klant ontvangt, maar van degene waarvan hij het product verkoopt. En voor dat advies dus alleen beloond wordt als er echt wat verkocht wordt. Die adviseur verkoopt dus eigenlijk ‘de klant’ aan de verzekeraar. Dat wringt, maar niettemin ben ik tegen een verbod op schadeprovisie. Als een adviseur een adviestarief moet gaan vragen voor (pak ‘m beet) een AVP, wordt er geen AVP meer verkocht.

Actieve provisietransparantie vind ik een mooie middenweg. Provisie mag, maar je moet de klant vertellen hoeveel en hoe vaak. Het tegenargument dat de bakker en de supermarkt óók niet hoeven te vertellen hoeveel ze aan de verkoop van een product verdienen, lijkt mij een onzin. Die bakker en die supermarkt profileren zich niet als adviseur, maar als verkoper. Dat doet een verzekeringsadviseur niet. Die profileert zich juist wèl als adviseur en níet als verkoper. Een beter argument dat ik vaak hoor, is dat de hoogte van die schadeprovisie de gemiddelde klant niet zo interesseert. Dat geloof ik ook. Maar dat argument kun je ook gebruiken om te betogen dat je het daarom best kunt vertellen.

Wat mij ronduit een voordeel lijkt, is dat provisietransparantie ook leidt tot een (meer) gelijk speelveld tussen bemiddelaars die niet adviseren en bemiddelaars die dat wel doen. Ook internetvergelijkers (waarvan veel klanten denken dat die hun diensten gratis verlenen) moeten dan hun beloning actief kenbaar maken, net als bijvoorbeeld autodealers en winkelbedrijven (denk: HEMA).

Tegelijk denk ik dat provisietransparantie ook een prachtige oplossing is voor een probleem dat ontstaan is door het provisieverbod. Er is een groeiend leger zzp-ers. Velen van hen aan de onderkant van de inkomensmarkt. Die hebben dringend behoefte aan een goed advies over inkomensverzekeringen en een passende inkomensverzekering. Maar juist hun inkomenssituatie is een serieus beletsel voor een goed advies en dus komt die verzekering er ook niet van.

Het opheffen van het provisieverbod voor individuele inkomensverzekeringen, onder gelijktijdige invoering van provisietransparantie voor dit product en andere schadeverzekeringen, lijkt mij een oplossing waarbij zowel de klant als het adviserende intermediair is gebaat.

De Bovaggarantie

‘DNB haalt een streep door de Bovag-garantie’ zo kopt het FD vandaag. Dat heeft meer consequenties dan op het eerste gezicht lijkt.

Een consument heeft recht op een deugdelijk product. Een product behoort een bepaalde periode mee te gaan bij normaal gebruik. Dat is de zogenoemde wettelijke garantie of het conformiteitsbeginsel. Die garantieverplichting geldt dus ook voor elke garagehouder. Maar de bedoeling van Bovag-garagehouders is dat de Bovag-garantie méér biedt dan de wettelijke garantie. Anders zou de Bovag-garantie een lege huls zijn.

Zodra een garantie méér biedt dan de wettelijke garantie wordt het een verzekering: er is sprake van een overeenkomst, er wordt voldaan aan het onzekerheidsvereiste (gaat de auto gebreken vertonen?), er wordt geld voor betaald (premie) en er wordt een prestatie tegenover gesteld (eventuele reparatie en dus schadevergoeding). Dat DNB de Bovag-garantie als een verzekering beschouwt, is dus niet zo verwonderlijk. Verwonderlijker is waarschijnlijk dat DNB dat niet al veel eerder heeft laten weten.

De oplossing ligt voor de hand: garagehouders mogen het risico van de garantie niet meer in eigen hand houden, maar zullen een verzekeraar moeten vinden waar zij dit risico onderbrengen. Vervolgens kunnen zij in die garantieverzekeringen gaan bemiddelen. Dat lijkt op zich geen probleem nu praktisch alle garagehouders en autodealers toch al bemiddelen in autoverzekeringen en dus al (verbonden) bemiddelaar zijn. Maar daar voorzie ik twee problemen.

Het eerste probleem vloeit voort uit de Insurance Distribution Directive. Binnenkort regelt de Wft dat als een bemiddelaar bij een roerende zaak (zoals een auto) een verzekering wil meeverkopen, de klant die roerende zaak ook zonder verzekering mag kopen. Kortom: het automatisme dat de Bovag-garantie dan bij de koop hoort is weg. Terwijl Bovag-leden zich juist daarmee willen profileren.

Het tweede probleem zit in het onderscheid tussen ‘bemiddelen’ en ‘adviseren’. Want een garagehouder of autodealer mag de autoverzekeringen waarin hij bemiddelt niet aanbevelen aan de klant. Want dan is er sprake van ‘adviseren’. Daarvoor is naast een Wft-vergunning als adviseur ook het Wft-diploma Adviseur schadeverzekeringen (particulier en/of zakelijk) nodig. Dat diploma hebben verkoopmedewerkers van een autodealer of garagebedrijf niet (uitzonderingen daargelaten). Dus wordt – in elk geval in theorie – alleen informatie over de autoverzekering verschaft. De klant mag niet worden overgehaald zo’n verzekering te sluiten. Maar bij de garantieverzekering gaan die verkoopmedewerkers die klant natuurlijk juist wel overhalen. Want die garantieverzekering is nu net het extra dat de Bovag-garage te bieden heeft.

Ik snap DNB wel. Maar de garagehouders hebben er een probleem bij. En de AFM ook.