Zakelijk gebruikte e-bike valt gewoon onder de AVB

Ineens verschijnen overal berichten dat schade veroorzaakt met een zakelijk gebruikte e-bike niet onder de AVB valt. Ik geloof daar niets van.

De afgelopen periode hebt u het bericht op vele plaatsen kunnen lezen. Bij de NOS, bij Amweb en zelfs bij de Vereende en bij het Verbond. Het standaardverhaal is de pizzakoerier die op zijn e-bike iemand aanrijdt, die daar een dwarslaesie aan overhoudt. Omdat voor een e-bike geen WAM-verzekering hoeft te worden gesloten, maar de AVB ook geen dekking zou geven, gaat het pizzabedrijf failliet. Maar klopt het verhaal ook? Het lijkt mij niet.

De crux in alle verhalen is dat schade veroorzaakt met motorrijtuigen uitgesloten is onder de AVB. Dat klopt. Maar de e-bike valt niet onder die uitsluiting, want een e-bike is geen motorrijtuig. Kijkt u maar in art. 1 onder c. van de Wegenverkeerswet. Daar vindt u de definitie van het begrip ‘motorrijtuigen’ en daarin wordt een uitzondering gemaakt voor ‘fietsen met trapondersteuning’, oftewel e-bikes.

Hoe komt het misverstand dan in de wereld? Waarschijnlijk komt dat omdat de WAM een iets andere definitie van motorrijtuig heeft. De e-bike valt wel onder die definitie. Maar juist daarom – en dat is geen toeval – is in een apart besluit bij de WAM geregeld dat voor de e-bike geen verzekeringsplicht bestaat.

In alle AVB’s die ik ken, staat de standaarduitsluiting voor motorrijtuigen. Maar ik ken geen enkele AVB die het begrip ‘motorrijtuig’ verder specificeert. Als een AVB-verzekeraar een claim zou willen afwijzen onder verwijzing naar die motorrijtuiguitsluiting, moet hij wel waarmaken dat een e-bike een motorrijtuig is. Met de definitie van de Wegenverkeerswet in de hand valt dat niet vol te houden. De verzekeraar kan zich ook moeilijk beroepen op die iets ruimere definitie van de WAM, juist omdat diezelfde WAM op een andere manier die e-bikes uitzondert. En als er al ruimte voor twijfel zou zijn (wat ik niet geloof), dan geldt natuurlijk de voor de klant meest gunstige uitleg. Anders had de verzekeraar zijn voorwaarden maar begrijpelijker moeten maken.

Overigens: méér dan 50 jaar geleden maakten AVB-verzekeraars en WAM-verzekeraars al de afspraak dat de dekking van beide verzekeringen naadloos op elkaar zou moeten aansluiten. Volgens mij is ook die afspraak nooit gewijzigd.

 

Transparant opzeggen

Bij nagenoeg alle verzekeringen geldt dat de verzekeraar in bepaalde gevallen een opzeggingsrecht heeft. Maar hij moet de klant wel duidelijk laten weten waarom hij dat doet.

Toen ik nog niet zo lang bij een verzekeraar werkte, gebeurde het regelmatig dat een klant te horen kreeg dat de verzekering werd opgezegd om ‘verzekeringstechnische redenen’. Dat was een mooie opzeggingsgrond. Alles kon er achter schuil gaan, maar het ging natuurlijk vooral om zaken die zo vervelend overkwamen als je ze hardop zei. Denk aan de verzekerde die dronken achter het stuur zat, het (al dan niet aantoonbare) vermoeden van fraude, de inmiddels gedane ontdekking dat de verzekeringnemer zelf weliswaar niet op de zwarte lijst stond, maar haar echtgenoot wel. Of zo. Maar dat is toch wel lang geleden.

Al vele jaren gelden strengere regels voor de verzekeraar die een verzekering wil opzeggen. Natuurlijk moeten de opzeggronden in de polisvoorwaarden staan en bovendien moet de verzekeraar een gewichtige reden hebben om de verzekering op te zeggen. Vrijwel alle schadeverzekeringen bepalen dat verzekeraar en verzekeringnemer na een schademelding een opzegrecht hebben, maar voor de verzekeraar moet daar dus een extra reden bijkomen. Dat komt door de maatschappelijke gevolgen van een opzegging. De klant krijgt bij de aanvraag voor een nieuwe verzekering steevast de vraag of hem al eens een verzekering is geweigerd of opgezegd en als hij die vraag bevestigend beantwoordt, verliest de nieuwe verzekeraar ook meteen zijn enthousiasme.

Zo’n gewichtige opzegreden kan de schade-oorzaak zijn. Zo begrijp ik best dat de verzekeraar de verzekering van een bedrijfspand wilde opzeggen, nadat daar een explosief (hand- of fosforgranaat) naar binnen was gegooid met als resultaat een brandschade van meer dan een ton. Het naar binnen gooien van dat soort explosieven leidt immers tot het sterke vermoeden dat de activiteiten die in dat pand plaatsvinden, of waar in elk geval de verzekeringnemer zich mee bezig houdt, niet in de categorie vallen waarmee de verzekeraar bij het aangaan van de overeenkomst rekening had gehouden. Maar het is dan niet handig om de verzekering op te zeggen met als enige uitleg: ‘in verband met de bij de schadebehandeling geconstateerde bevindingen’.

Pas maanden later beargumenteerde de verzekeraar dat hij geen risico’s wenst te verzekeren, waarbij al dan niet voor de verzekerde bedoelde explosieven naar binnen worden gegooid. De kortgedingrechter vond dat te laat. Nu de verzekeraar de verzekering niet (deugdelijk) gemotiveerd had opgezegd, was die opzegging niet rechtsgeldig. De verzekeraar moet de verzekering met teugwerkende kracht herstellen en in stand houden zolang deze niet deugdelijk is opgezegd.

Waarschijnlijk had de verzekeraar bedacht dat de klant de niet-genoemde opzeggingsgrond ook wel zou begrijpen. Terecht waarschijnlijk. Maar als het zo begrijpelijk is: zeg het dan ook maar.

Thuis werken en het Arena-arrest

Er valt veel voor te zeggen dat een werkgever óók aansprakelijk is voor de schade van een thuiswerkende medewerker als die werkgever daar geen voorziening voor heeft getroffen. Een andere situatie dan bij het Arena-arrest, maar de omstandigheden zijn vergelijkbaar.

Art. 7:658 BW verplicht de werkgever te zorgen voor veilige werkomstandigheden voor zover de werkgever die omstandigheden kan beïnvloeden. Maar op de thuissituatie van een medewerker heeft de werkgever geen invloed. Natuurlijk: de werkgever kan de medewerker instructies geven hoe zo verantwoord mogelijk thuis te werken. Hij kan geschikt meubilair en geschikte apparatuur daarvoor ter beschikking stellen. Maar uiteindelijk blijft de thuissituatie buiten zijn invloedssfeer. Alleen al door ruimtegebrek zitten maar weinig medewerkers te wachten op arboverantwoord meubilair. En dan nog kunnen er problemen zijn met gebrekkige trappen, slechte verlichting en klimaatbeheersing en suboptimale apparatuur. Veel thuiswerkende medewerkers werken in situaties die bij elke RI&E als onhoudbaar zouden worden gekwalificeerd.

Omdat de thuissituatie buiten zijn invloedssfeer ligt, zal een werkgever niet snel aansprakelijk zijn op grond van onveilige werkomstandigheden thuis. Als een medewerker op kantoor uitglijdt over een onverwacht gladde vloer of van een gebrekkige trap valt, is de werkgever aansprakelijk; overkomt de medewerker datzelfde thuis, dan is de werkgever daarvoor niet aansprakelijk. Je zou dus kunnen zeggen dat thuis werken ook leidt tot minder werkgeversaansprakelijkheid.

Art. 7:658 BW geldt niet voor verkeerssituaties. De werkgever heeft tenslotte geen invloed op de verkeersveiligheid. Het gevolg daarvan was dat de werkgever wel aansprakelijk was voor de schade van de ene werknemer (de inzittende van de auto), maar niet voor de schade van de andere werknemer (de bestuurder), die zelf een verkeersfout had gemaakt. De gedachte achter het Arena-arrest was dat dat niet redelijk is . Daarom, zo oordeelde de Hoge Raad, heeft de werkgever de plicht om te zorgen voor een voorziening waar die medewerker aanspraak op kan maken.

Het lijkt mij dat de gedachte achter het Arena-arrest ook opgeld doet voor de medewerker die bij thuis werken schade lijdt. In beide gevallen gaat het om situaties waarin de werknemer zijn werkzaamheden verricht in opdracht van de werkgever. En voor beide situaties geldt dat de werkgever de veiligheid van de arbeidsomstandigheden niet of nauwelijks in de hand heeft en dat ook vooraf weet. Bovendien: als er al een veilig alternatief is voor thuiswerken, dan heeft de werkgever dat eerder in de hand dan de medewerker.

Het kan niet missen of er ontstaan thuiswerkschadegevallen waarbij de rechter gaat oordelen dat de werkgever niet op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is, terwijl – als dezelfde schade op kantoor was ontstaan – de werkgever wél aansprakelijk zou zijn geweest. Bijvoorbeeld door een verkeerde zit-/werkhouding of door simpel van een gebrekkige trap vallen. Juist ook omdat ‘werken vanuit huis’ naar het zich laat aanzien leidt tot forse financiële besparingen bij de werkgever, lijkt het mij dat het ‘goede werkgeverschap’ van art.7:611 BW vereist dat de werkgever daarvoor een voorziening treft. Ik voorspel dat rechters dat ook gaan vinden. Doet een werkgever dat niet, dan is hij op die grond aansprakelijk.

Je kunt er over twisten of een AVB dekking biedt voor dit soort vermogensschade. Het lijkt mij beter daar nu al afspraken over te maken.

Big data? Small data lukt al niet!

Het wil maar niet lukken. Klantbelang vraagt dat je wat van je klant weet. Big data en zo. Maar dan moet je dat vervolgens wel gebruiken. Anders wordt het wel heel stompzinnig.

Een klant ontvangt een brief van zijn bank. Daarin staat dat de klant een krediethypotheek bij de bank heeft, die over 10 jaar afloopt. De klant moet het openstaande kredietbedrag dan in één keer terugbetalen. Dus daar kan de klant beter nu al over nadenken. En, oh ja: dat totale hypotheekbedrag is € 0,01. Hoe klantgericht is dat?

De bank, ook deze bank, heeft een ICT-systeem. Regelmatig kunt u lezen dat deze bank vindt dat zij voorop loopt in de digitale wereld. Blockchain, big data, algoritmes; u noemt het en zij heeft het, doet het en gebruikt het. Maar toch speelt de bank het niet klaar om 2 eenvoudige gegevens aan elkaar te koppelen: (1) heeft de klant een krediethypotheek en (2) staat er nog een serieus saldo open? Zelfs met een ouderwetse kaartenbak (bent u jonger dan 40? Vraag even aan een oudere collega wat een kaartenbak is) was een dergelijke koppeling geen probleem.

De waarschuwingsbrief bevat ook verder enkele mededelingen die duidelijk maken dat niemand de moeite heeft genomen om te kijken naar de situatie van de klant. Zo wordt de fiscale situatie beschreven voor het geval de hypotheek na 2001 is gesloten of gewijzigd, terwijl de bank weet (nou ja: hoort te weten) dat de hypotheek vóór 2001 is gesloten en nooit gewijzigd. Ook wordt gewezen op een mogelijke inkomensdaling bij de pensioendatum. Maar uit de geboortedatum van deze klant (die heeft de bank natuurlijk ook) blijkt dat dát risico de komende 10 jaar echt nul is. Kortom: een onzinbrief.

Maar wel heel vriendelijk hoor. Er wordt een ‘gratis’ check aangeboden en een kosteloos telefonisch informatiegesprek. Ik begrijp van de klant dat die daar geen gebruik van gaat maken. Eigenlijk liet de klant weten dat zijn vertrouwen in deze bank weer wat minder is geworden. ‘Geldt daar een verbod op zelf denken?’ en ‘In ieder geval denken zij daar niet na over de klant en over wat ze aan het doen zijn?’

De klant liet ook nog weten dat de bank het mis heeft: het openstaande saldo is niet € 0,01. De hypotheek is geheel afgelost. Maar de hypotheek is nooit doorgehaald, want, aldus de klant ‘dat levert mij alleen maar nadelen op’. Maar kennelijk kan de bank (zo u wilt: het systeem) het uitstaande saldo alleen op € 0,00 zetten als de hypotheek wel wordt doorgehaald.

Tip voor de bank: met een kaartenbakkenkaart kan dat wel.

Kifid bedenkt zich terecht

De Commissie van Beroep van Kifid legt uit waarom de Wft geen basis is voor onbeperkt gratis financieel advies.

Er was veel gedoe over enkele uitspraken van de Geschillencommissie van het Kifid uit 2019. Daarin werd gesteld dat een adviseur/bemiddelaar een doorlopende plicht zou hebben om de klant te wijzen op premieverlagingen in de levensverzekeringsmarkt. Die plicht zou óók bestaan als de klant en de adviseur daarover géén afspraken zouden hebben gemaakt. En – zo voeg ik er even aan toe – als de klant voor een dergelijke doorlopende dienstverlening ook niet betaalde. De Geschillencommissie vond dat dat voortvloeide uit art. 4:20 Wft. Dat was merkwaardig, omdat diezelfde Geschillencommissie bij andere financiële producten dan overlijdensrisicoverzekeringen had geoordeeld dat een dergelijke plicht niet rustte op de aanbieder. En die informatieplicht van art. 4:20 Wft rust juist primair op de aanbieder. Daarmee creëerde de Geschillencommissie dus tegelijk een ongelijk speelveld tussen aanbieders en bemiddelaars.

Maar goed: de Commissie van Beroep legt het goed uit. De informatieplicht van art. 4:20 Wft behelst uitsluitend informatie over het specifieke product dat de klant heeft afgesloten. Als daarin relevante wijzigingen komen, moet de aanbieder of bemiddelaar de klant daarop wijzen. Een verdergaande adviesplicht bestaat alleen als daarover tussen de klant en die (bemiddelaar, aanbieder of) adviseur afspraken zijn gemaakt. En daar kan die (bemiddelaar, aanbieder of) adviseur natuurlijk een vergoeding voor bedingen. Goed advies is immers geld waard.

De Commissie van Beroep hanteert daarmee precies de argumenten die u mogelijk al had gelezen in het artikel ‘Zorgplicht-en-overlijdensrisicoverzekeringen’ in de Beursbengel van oktober 2019. Met deze gecorrigeerde beslissing lost het Kifid veel praktische problemen op.

Ja, natuurlijk blijft het van belang dat een adviseur ook tijdens de looptijd van een financieel product de vinger aan de pols houdt. Niet alleen omdat premieniveaus kunnen wijzigen, maar vooral omdat financiële producten vaak een lange looptijd hebben. Soms zelfs levenslang. Tijdens zo’n looptijd kunnen de omstandigheden aan de zijde van de klant sterk wijzigen. Daardoor kan de behoefte aan een financieel product wijzigen. Soms wegvallen. Soms leiden tot de noodzaak andere, uitgebreidere producten aan te schaffen. Maar in hoeverre die noodzaak bij een individuele klant bestaat, waaruit die doorlopende adviesplicht dan bestaat en hoeveel die klant bereid is daarvoor te betalen behoort tot het vrije domein van partijen. Adviseur en klant behoren daarover zelf duidelijke afspraken te maken.

Mooi dat de Commissie van Beroep het evenwicht tussen partijen – en tegelijk het gelijke speelveld tussen aanbieders en bemiddelaars – heeft hersteld.

Waarom erkent Kifid de klacht niet?

Elke advocaat en elke rechter kan u vertellen: de erkenning dat iemand onrecht is aangedaan, is voor betrokkene vaak belangrijker dan een schadevergoeding. Daarom is het jammer dat Kifid daar zo zuinigjes mee omspringt.

Tot 2006 kende het verzekeringsbedrijf een Raad van Toezicht. Die Raad kende maar één maatstaf waar hij zijn oordelen op baseerde: bepalend was of de verzekeraar ‘de goede naam van het verzekeringsbedrijf had geschaad’. Alleen als dat zo was, dan was de klacht gegrond. Anders dan nu Kifid (of een rechter) oordeelde die Raad dus niet of hij het met het standpunt van een verzekeraar eens was, maar alleen of dat standpunt ‘in rechte verdedigbaar’ was. Uitspraken hadden groot gezag.

Ik zou Kifid niet graag voor die oude Raad van Toezicht inwisselen. Daarvoor ben ik veel te blij met de ruimere bevoegdheden van Kifid, die wel mag beslissen over schadevergoedingen als zij vindt dat een financiële dienstverlener onjuist heeft gehandeld. Maar dat gezegd hebbend: ik vind het jammer dat Kifid zich bij zijn uitspraken nagenoeg uitsluitend laat leiden door de vraag of de klager financieel nadeel heeft geleden. Het begrip ‘klacht’ is tenslotte ruimer dan het begrip ‘vordering’. En de ‘k’ van Kifid staat toch echt voor …, ach: u weet het wel.

Toen een jaar of dertig geleden gewerkt werd aan een nieuw verzekeringsrecht, werd besloten daarin een bepaling op te nemen dat een erkenning van feiten geen reden voor een aansprakelijkheidsverzekeraar mocht zijn om dekking te weigeren. Zelfs een erkenning van aansprakelijkheid mag geen reden zijn dekking te weigeren, als blijkt dat die erkenning terecht is. Die bepalingen hadden een achtergrond. Vooral in de medische sector was het adagium: ‘nooit toegeven als je iets fout hebt gedaan, want dat mag niet van je aansprakelijkheidsverzekeraar. Als je dat toch doet, kun je geen rechten meer ontlenen aan je aansprakelijkheidsverzekering’. Overigens, ook elke autobestuurder leerde: ‘geen fout toegeven, want dat mag niet volgens de polisvoorwaarden’.

Zo klantonvriendelijk als artsen en autobestuurders dachten zijn verzekeraars volgens mij nooit geweest, maar dat neemt niet weg dat die gedachte wel degelijk bestond. En zeker bij medische aansprakelijkheid een hindernis voor de schaderegeling bleek. En vaak nog blijkt, want misverstanden en vooroordelen zijn hardnekkig. De patiënt wil vooral horen dat de arts een fout toegeeft en die arts duikt. Dat werkt leedverhogend. Daarom kwamen dus die nieuwe bepalingen in het verzekeringsrecht. Ik heb dat wel eens aan artsen uitgelegd en die blijken steevast stomverbaasd dat zij echt eerlijk tegen hun patiënten mogen zijn als zij een fout hebben gemaakt.

Terug naar het Kifid. Soms hebben klagers alleen klacht. En soms constateert Kifid zelf dat de financiële dienstverlener niet heeft gehandeld zoals je van een financiële dienstverlener mag verwachten. Excuses kun je niet afdwingen; afgedwongen excuses zijn niet veel waard. Maar Kifid kan wel vaststellen dat het behoorlijk zou zijn geweest als de financiële dienstverlener excuses zou hebben aangeboden. Ik wil er voor pleiten dat Kifid dat duidelijker in zijn samenvattend eindoordeel verwerkt. Er staat niets in het reglement van Kifid dat verhindert dat zij ook een dergelijke tuchtrechtuitspraak doet.

Daarmee doe je ook meer recht aan de klager, die alleen maar wil horen dat zijn klacht terecht is.

Wanneer voldoet een aanmaning?

Wetten hebben een doel. De wetgever probeert dat doel met woorden duidelijk te maken. Maar wat is uiteindelijk dan beslissend: de woorden of het doel? Daarover kunnen ook redelijk denkende mensen van mening verschillen en kan het gebeuren dat een rechter anders oordeelt dan Kifid.

Een klant betaalt zijn premie niet op tijd. Het Kifid oordeelt dat de verzekeraar aan zijn aanmaningsplicht heeft voldaan. Dus: geen dekking voor de schade. De rechtbank oordeelt anders: de aanmaning voldeed niet aan de wettelijke eisen. Dus: wel dekking. Een groot verschil. Met in beide gevallen een begrijpelijke motivering. De ene (Kifid) wat meer volgens het doel van de regels, de ander (rechtbank) wat meer volgens de letter. Wat was het geval?

De premie die de klant moet betalen loopt via automatische incasso. Maar elke afschrijving (maanden achter elkaar) wordt stelselmatig gestorneerd (door de klant teruggehaald). De klant ontvangt dan steevast een brief waarin staat dat de premie binnen 45 dagen na factuurdatum moet zijn betaald. Zo niet, dan vervalt de dekking. In die brief staat ook dat de verzekeraar na 5 dagen nog een keer probeert de premie te incasseren. Maar ook die tweede automatische incasso wordt door de klant gestorneerd. Dan, pak weg een maand na factuurdatum, ontvangt de klant de waarschuwing dat als de premie binnen ’14 dagen na dagtekening van de brief’ nog steeds niet is betaald de dekking vervalt. De klant betaalt dan meestal alsnog, maar wel vrij consequent (ruim) na die 14 dagen. Zo ook bij de laatste situatie. De verzekeraar stuurde op 1 juli zo’n laatste waarschuwing voor de premie met factuurdatum 29 mei. Toch betaalde de klant niet voor 14 juli maar pas op 21 augustus. Inmiddels was half juni een schade voorgevallen.

Het Kifid oordeelde dat de verzekeraar aan zijn aanmaningplicht had voldaan. De klant was er keer op keer op gewezen wanneer hij moest betalen en had toch elke keer de automatisch geïncasseerde premies gestorneerd. Zelfs na de 14-dagen-waarschuwing betaalde de klant pas na ruim 50 dagen. De rechter oordeelde anders. De wet bepaalt dat de wettelijk verplichte aanmaning na de vervaldag moet worden verzonden (dat was het geval) en dat de klant ná de dag van aanmaning nog 14 dagen de tijd heeft om te betalen. Omdat de verzekeraar die 14-dagentermijn liet ingaan op de datum dat de brief werd verzonden, voldeed deze niet aan de wettelijke vereisten. Zo’n brief ontvangt de klant pas op zijn vroegst na één dag en pas de dag daarna behoren die 14 dagen te gaan tellen.

Naar de letter heeft de rechter gelijk. Als de verzekeraar naar de letter zou hebben gehandeld, had hij de klant vanaf 2 of 3 juli 14 dagen de tijd moeten geven. En niet al vanaf 1 juli. Maar ja, dan had de klant dus tot 16 of 17 juli de tijd gehad om onder het verlies van dekking uit te komen. Nu de premie feitelijk pas na ruim 50 dagen werd betaald, hadden die 1 of 2 dagen meer echt geen verschil gemaakt. Dus valt er veel voor het standpunt van Kifid te zeggen. Kifid keek naar het doel van de wettelijke regeling.

Nog één misverstand ophelderend: de ‘vervaldag’ waar de wettelijke regeling over spreekt, is anders dan vaak gedacht wordt niet de premievervaldag. Praktisch alle verzekeringen kennen een respijttermijn van 30 dagen. De op 29 mei verschuldigde premie moest dus uiterlijk op 28 juni betaald zijn. Die 28 juni is de wettelijke vervaldag. Met een laatste aanmaning per 1 juli voldeed de verzekeraar dus aan die eis.

Het zou mij niet verbazen als een hogere rechter (de verzekeraar kan nog in beroep!) de verzekeraar (en Kifid) gelijk gaat geven. Er zijn veel rechters die het doel van de wettelijke regels belangrijker vinden dan de exacte letter. Tegelijk zou ik als verzekeraar de tekst van de aanmaningsbrief toch maar aanpassen. Dat heeft die verzekeraar vast gedaan.

De pandemieverzekering

De laatste week heb ik een aantal pleidooien gehoord voor een pandemieverzekering. Er zijn twee redenen waarom die verzekering er niet gaat komen.

De eerste reden: nagenoeg niemand zal zo’n verzekering willen. Als de coronacrisis straks achter de rug is, haalt iedereen opgelucht adem. De crisis is voorbij. Zo zit de menselijke natuur in elkaar. Dat het nagenoeg zeker is dat er ooit, misschien volgend jaar al, misschien pas over 50 jaar, een volgende pandemie gaat komen, is daarvoor geen beletsel. Maar het is wel een beletsel om op vrijwillige basis een verzekering te sluiten en daarvoor premie te betalen. Natuurlijk ook omdat, kijkend naar de huidige crisis, iedereen er van uitgaat dat ook dan de overheid weer met ruime compensatieregelingen komt. Compensatieregelingen waarvoor niemand ooit premie heeft hoeven te betalen en waarvan de uiteindelijke prijs ook niet betaald gaat worden door de ontvangers van die compensaties. Dat geldt in de sterkste mate voor de bedrijven die het meest gaan krijgen: Zo weet Air France/KLM nu al dat het zo’n 6 miljard gaat krijgen en misschien wel meer. ‘Tot iedere prijs’, zeiden de Nederlandse en Franse regering in koor. Too big to fail. Zo’n bedrijf gaat dus nooit zo’n verzekering sluiten.

Wat dat betreft is de pandemieverzekering een beetje vergelijkbaar met de overstromingsverzekering. Die komt er ook niet. Misschien dat het zou kunnen als de overheid zo’n verzekering verplicht stelt (een lang gekoesterde wens van het Verbond van Verzekeraars), maar dat zie ik niet gebeuren. Slecht uitvoerbaar, slecht controleerbaar, geen maatschappelijk draagvlak.

En zelfs dan blijft de tweede reden: verzekeraars gaan zo’n pandemieverzekering niet willen. Want welke schade zou zo’n verzekering moeten dekken? Ja, er gaan mensen dood en er zijn heel veel meer medische kosten. Maar daar zijn al verzekeringen voor. Die dekken ook overlijden en zorgkosten door een pandemie. De schade die nu optreedt, is nagenoeg alleen een gevolg van overheidsmaatregelen. Van onze intelligente lockdown en de lockdowns in de rest van de wereld. Horeca dicht, net als kappers en nagelsalons, groepsbijeenkomsten verboden, grenzen gesloten, vakanties geannuleerd en ga zo maar door. Ja, ook zonder overheidsmaatregelen was er minder gewinkeld, uit gegeten, handen geschud en vergaderd, maar niet zoveel als nu. Het normale leven had veel meer ‘gewoon’ doorgang gevonden. En ja, dat had vast en zeker meer mensenlevens geëist en een triest tekort aan IC-bedden.

De financiële schade van deze pandemie komt dus vooral door overheidsmaatregelen, door de politiek zeg maar. Die politiek heeft beloofd die schade goeddeels te betalen uit de diepe zakken van Wopke. Maar stel nu dat er bij een volgende pandemie een pandemieverzekering is die de schade betaalt. Zou de politiek de verleiding kunnen weerstaan om onbeperkt ingrijpende maatregelen te nemen, wetende dat het prijskaartje bij verzekeraars terecht komt? Ik denk het niet. En ik denk dat verzekeraars dat weten. Nee, die pandemieverzekering komt er niet.

Geheel terzijde: over klein geluk gesproken. Is het u ook opgevallen dat het sinds de coronacrisis wel erg mooi weer is?

 

De regels van het systeem

De meeste mensen die getroffen worden door het coronavirus, hebben zelf de ziekte in het geheel niet. Vaak zal een deel gecompenseerd worden. Maar niet alles en niet van iedereen. Want: de regels van het systeem.

Flexmedewerkers, oproepkrachten, zzp-ers, kappers, sportschooluitbaters en tal van andere beroepskrachten kunnen hun krachten even sparen. Hun verdiensten zijn even niet nodig in de maatschappij of liever gezegd: niet mogelijk. Daarmee liggen hun verdiensten stil. Excuus voor de flauwe woordspeling. Zelfs begrafenisondernemers schijnen er last van te hebben. Er zijn wel wat meer begrafenissen dan gebruikelijk, maar die zijn allemaal veel ingetogener, kleinschaliger en dus ook: goedkoper. Vaak wordt meegedeeld dat het leven van de overledene later nog een keer ‘gevierd’ zal worden. Vast. Maar daar zal de begrafenisondernemer wel niet meer bij betrokken worden. Zo wordt de pijn en het leed dat het virus brengt ongelijk verdeeld. Net als het virus zelf.

Wopke Hoekstra heeft gezegd dat de overheid diepe zakken heeft. Veel kleine ondernemers kunnen snel een eerste compensatie krijgen. Mooi, maar die eerste compensatie is niet genoeg. En daar begint het probleem. Want voor verdere compensaties moeten verdere regels komen. Wie heeft onder welke omstandigheden waar recht op? Want: waar gratis geld, daar grote eters. Dus vragen, nee eisen, vele partijen nu compensatie. Variërend van succesvolle ondernemingen tot kwakkelende ondernemingen, die het nu ‘met compensatie’ nog enige tijd kunnen uitzingen. Daar door heen verweven: sectoren die maatschappelijk gezien toch al zouden moeten krimpen, omdat we die activiteiten steeds meer als steeds minder wenselijk beschouwen. Ik ben blij dat ik die regels niet hoef te maken.

Die regels gaan er wel komen. Een heel systeem van regels. Die daarna gehandhaafd gaan worden. Ook al is ons land, in tegenspraak tot onze nationale wapenspreuk, vaak niet zo goed in handhaven. Dat streng handhaven iets anders is dan goed handhaven, hoef ik u, denk ik, niet uit te leggen. Als ik het u wel uit zou willen leggen, dan zou ik u wijzen op het (zoals wel vaker) briljante voorwoord van Armand Blondeel in het laatste bulletin van de Stichting PIV over ‘de Regels van het Systeem.  Lang niet iedereen krijgt dat bulletin in de bus’, maar u kunt het vinden op de website van het PIV en via deze link.

Dus ben ik ook blij dat ik die compensatieregels niet hoef toe te passen, ook al omdat ik ook iets heb van ‘wat zou het nou als er af en toe wat scheutjes compensatie verkeerd terecht komen. Let liever op de grote scheuten’.

Voor de rest lijkt het elke dag een beetje verkiezingsdag: elke dag even afwachten wat de verschillende uitslagen nu weer zijn. Het went al. Ik vraag me af of dat goed is of juist niet.

Corona, corona

Alles is anders. Hebt u nu ook zo’n onwerkelijk gevoel? In één keer staat Nederland op zijn kop.

Het voelt, denk ik, maar ik heb gelukkig geen ervaring daarin, een beetje als oorlog. Er zijn slachtoffers, er is vrees voor veel meer slachtoffers en zowel het goede (zorg voor elkaar) als het slechte (ikke, ikke, ikke en maar hamsteren) komt in mensen boven. Het dagelijks leven staat op zijn kop. Normaal gesproken zit ik op werkdagen op kantoor, omringd door lieve collega’s. Nu zit ik thuis te werken. En al zou ik naar kantoor gaan, dan zit ik nog alleen. Ook die lieve collega’s werken vanuit huis. We doen dat allemaal wel vaker, en u ook waarschijnlijk, maar nog nooit zo collectief. Zo test het coronavirus ook de capaciteit van onze ICT-infrastructuur. Voorlopig gaat dat goed.

Zo’n virus zorgt ook voor relativering. Normaal gesproken maken we ons in dit land verschrikkelijk druk om allerlei zaken die nu ineens niet meer belangrijk zijn. Niet omdat die andere zaken niet meer belangrijk zijn, maar de langetermijnzorgen over terrorisme, stikstof, klimaat en de oorlog in Syrië zijn even verdrongen door één kortetermijnzorg. Alle zorgen zijn nu coronagerelateerd. En sommige van die zorgen gaan nog lang effect hebben. Ook voor klanten van het verzekeringsbedrijf.

Om één voorbeeld te noemen: dank zij jarenlang stijgende beurskoersen waren veel beleggingsverzekeringen (die lang niet meer zoveel nieuw gesloten worden, maar er nog in grote getale zijn) langzaam uit het dal geklommen. Maar de beleggingsverzekering waarmee een paar weken geleden de hypotheekschuld nog grotendeels kon worden afgelost, is nu ongeveer de helft van de waarde kwijt geraakt. Vette pech dus ook voor degenen die een ‘beschikbare-premie-pensioenregeling’ hebben en die de komende periode met pensioen gaan. Natuurlijk: je kunt wat uitstellen in de hoop op betere tijden, maar daarmee maak je het verlies niet ongedaan. Voor pensioenfondsen is de situatie ook dramatisch, maar ach, de schatkist is gevuld, er komt een verkiezingsjaar aan, dus Koolmees vindt wel weer een oplossing dat er komend jaar niet gekort wordt. (Ja, nee, nu echt, echt, echt voor de laatste keer…) Het is de vraag of de overheid dan ook iets bedenkt voor degenen met een particulier verzekerd pensioen. Ik heb mijn twijfels.

Onzekerheden genoeg. Iedereen die dacht dat het verzekeringsbedrijf zekerheid kan bieden, heeft opnieuw de les geleerd. Verzekeren biedt geen zekerheid. Verzekeren biedt hooguit (enige) financiële compensatie.

Mooi wat Bruno Bruins zei: ‘Dit raakt ons allemaal. Daarom deze boodschap: Nederlanders, let een beetje op elkaar.’ Laten we dat maar doen.