Krijgt Ratelband in hoger beroep gelijk?

Emile Ratelband heeft van de rechter zijn zin niet gekregen. Maar Ratelband zou Ratelband niet zijn als hij daar genoegen mee nam. In de uitspraak ziet hij allerlei aanknopingspunten voor een hoger beroep. Toch is het niet te hopen dat hij alsnog gelijk krijgt. Het verzekeringsbedrijf zou er dan namelijk een probleem bijkrijgen. En de oplossing is dan niet eenvoudig.

U kunt het nauwelijks gemist hebben. Emile Ratelband heeft voor de rechtbank geëist dat bij de burgerlijke stand zijn geboortejaar met 20 jaar wordt verhoogd. Hij is dan niet langer 69 (zoals nu), maar nog maar 49. Nu acht ik de kans niet zo heel groot, dat hij in hoger beroep wel gelijk krijgt. Maar toch: als u mij 10 jaar terug had gevraagd of ik het voor mogelijk zou houden dat de burgerlijke stand naast ‘man’ en ‘vrouw’ ook de geslachtsaanduiding ‘onzijdig’ zou kennen, had ik dat ook niet voor mogelijk gehouden. Tijden veranderen. Als je je (geboorte)geslacht kunt veranderen: waarom dan niet je geboortejaar?

Voor verzekeraars zou het een probleem zijn. Want Ratelband kan wel uitleggen dat hij met zijn wens dan ‘vrijwillig’ afstand doet van zijn AOW-uitkering doet, bij andere (sociale én particuliere) verzekeringen ligt dat anders. (Hij doet overigens geen afstand van een eventueel vervangende bijstandsuitkering.) Zo kent de AOV een leeftijdsafhankelijke premie én een eindleeftijd. Zou de AOV-verzekeraar die 4 jaar terug (bij 65) de AOV van Emile (Emile is zzp-er) tot een einde heeft zien komen, dat ding weer tot leven moeten roepen voor nog eens 16 jaar?

En hoe zit met de (leeftijdsgebonden) premie voor overlijdensrisicoverzekeringen? Nog lastiger: wat te doen met art. 7:982 BW? Dat niet zo heel erg bekende wetsartikel regelt specifiek voor levensverzekeringen dat de uitkering wordt aangepast als bij het overlijden blijkt dat de leeftijdsgebonden premie op de onjuiste leeftijd was gebaseerd. Voor overlijdensrisicoverzekeringen betekent een leeftijdsverlaging dan dat de uitkering flink hoger wordt. Dat is al een probleem, maar zie dat als verzekeraar ook maar eens in je Solvencyberekeningen mee te nemen.

Als het voor Emile mag, dan mag het natuurlijk voor iedereen. Dus ook voor mensen met een Wia-uitkering, die die uitkering wel eens aantrekkelijker zouden kunnen vinden dan de naderende AOW-uitkering. Ik weet het: ook (de advocaat van) Emile stelt de voorwaarde dat – net als bij geslacht – de nieuwe leeftijd moet passen bij het gevoel, bij het diepste wezen van de aanvrager. Dat kan een belemmering zijn voor een eventuele aanvrager. Maar: hoe ga je met die controle om? De begrippen ‘controle’ en ‘UWV’ schijnen sowieso al geen logische combinatie te zijn, maar ook voor particuliere verzekeraars is dat niet eenvoudig. Emile zegt zich werkelijk 49 te voelen. Maar wat zegt dat? U weet hoe het gaat. Je hoort vaak zeggen: ‘je bent zo oud als je je voelt’. Maar als je kritisch kijkt, weet je ook wie dat zeggen. Jongeren zeggen dat nooit. Die hebben dat niet nodig. Het ‘je bent zo oud als je je voelt’ wordt alleen maar gezegd door oude mensen. Ik weet er alles van. Iemand die zegt dat hij zich 49 voelt, is meestal flink wat ouder.

Officiële leeftijdsverlaging zou trouwens niet alleen een probleem voor verzekeraars zijn. Ook voor het intermediair voorzie ik problemen: hoe verhoudt deze mogelijkheid zich tot de zorgplicht? Moet je als verzekeringsadviseur bij je vergrijzende AOV-klanten nagaan of zij zich wellicht jonger voelen en dus in aanmerking zouden kunnen komen voor een premieverlaging?

Als leeftijdsverlaging mag, volgt al rap de vraag: mag leeftijdsverhoging ook? Vakbonden enthousiast natuurlijk: de problematiek van de AOW-grens en de ‘zware beroepen’ is dan meteen opgelost. en laten we eerlijk zijn: u en ik kennen toch allebei mensen die al begin 50 hartstochtelijk naar hun pensioen verlangen. Kortom: het verzekeringsbedrijf heeft belang bij de uitkomst van deze procedure. Ik zie nu al uit naar dat hogere beroep.

En u ziet: zelfs de krant lezen wordt leuker als je dat met enige verzekeringskennis doet. Daarom is het ook zo leuk om verzekeringscursussen te volgen bij instellingen waar medewerkers en docenten de krant lezen.

Advertenties

Een nieuwe Wft-PE-methode?

Met dank aan de IDD geldt voor feitelijk-leidinggevenden sinds 1 oktober weer een vakbekwaamheidseis. Ik zeg ‘weer’, want tot 1 januari 2014 gold voor die feitelijk-leidinggevenden al een vakbekwaamheidseis. Maar die werd afgeschaft. En nu weer ingevoerd. Bijna hetzelfde, maar niet helemaal.

Anders dan voor adviserende medewerkers geldt voor leidinggevenden geen diplomaeis. Tenslotte is de IDD een Europese richtlijn en in de EU zijn ze niet dol op diplomaeisen. Want die zouden dan in alle lidstaten moeten gelden. Eigenlijk is binnen de EU alleen onze minister van Financiën van de diplomaeisen. Maar ja: om nu met een diplomaeis te komen voor feitelijk-leidinggevenden, kort nadat hijzelf elke vakbekwaamheidseis voor feitelijk-leidinggevenden had afgeschaft, ging hem kennelijk ook te ver. Daarom is in de Wft alleen de minimumeis uit de IDD terecht gekomen. De feitelijk-leidinggevende moet vakbekwaam zijn, maar volgens een halfhartig soort open norm.

Hoe controleer je zo’n open norm zonder officiële toetsen of diploma’s? ‘Daar’, zo zal de minister glimlachend bedacht hebben, ‘hebben we gelukkig een toezichthouder voor’. En dus wordt er sinds 1 oktober in het BGfo rechtstreeks verwezen naar Bijlage 1 IDD, waar die vakbekwaamheidseisen in staan. Aangevuld met de mededeling dat die feitelijk-leidinggevenden ten minste 15 uur per jaar aan permanente educatie (PE) moeten doen. Die eis geldt zowel voor verzekeraars als voor bemiddelaars, maar voor verzekeraars geldt de aanvullende eis dat ‘alle relevante documentatie met betrekking tot de toepassing’ moet worden vastgelegd en bijgehouden. De minister kent zijn pappenheimers: vakbekwaamheid bij feitelijk-leidinggevenden is bij bemiddelaars doorgaans beter geregeld dan bij verzekeraars.

De AFM lijkt wat meer moeite te hebben met de invulling. Zij verwijst in haar factsheet naar de Wft-modules Basis, Schadeverzekering particulieren en Schadeverzekering zakelijk. Dat lijkt mij geen handig advies. Het moduul Basis is voor een belangrijk deel bancair (en dat is hier niet relevant). En in de beide schademodules staat niets over levens- en beleggingsverzekeringen. Terwijl het geen toeval is dat juist die onderwerpen ruwweg 2/3 van de IDD-vakbekwaamheidseisen uitmaken. De verkoopschandalen deden zich voor bij levens- en beleggingsverzekeringen, niet bij schadeverzekeringen. Dus lijkt het advies aan leidinggevenden om te kiezen voor een brede verzekeringsopleiding toekomstbestendiger.

Waar ik wel benieuwd naar ben: hoe effectief is het stellen van een urennorm voor de PE? Gaat dat er niet aan voorbij dat ‘leren’ iets is, dat een professional elke dag doet? Vaak zelfs onbewust? En is de hoeveelheid tijd die nodig is voor PE niet heel erg afhankelijk van het vakgebied waarin je leiding geeft? Moet elke feitelijk-leidinggevende zijn PE-uren zelf in een excelsheet gaan bijhouden? Doet HRM dat? Hoe?

Maar vooral, als de minister vertrouwen in deze methode heeft: waarom dan niet de PE-examens voor adviserende medewerkers ingeruild voor dit systeem?

De stint en de inzamelingsactie

Sommige ongevallen zijn zo afgrijselijk dat er nauwelijks woorden te vinden zijn om het leed van de betrokkenen te beschrijven. Het ongeval met de stint is daar één van. Natuurlijk is het goed als de samenleving daar met medeleven, warmte en empathie op reageert.

Toch vraag ik me van sommige reacties af of die bijdragen in deze specifieke situatie. Eén daarvan is de geldinzamelingsactie. Natuurlijk goed bedoeld. En met resultaat: ruim een kwart miljoen binnen de week. Maar waarvoor?

Het geld is bedoeld, zo zeggen de initiatiefnemers, om de uitvaarten te financieren van de vier overleden kinderen en voor eventuele aanpassingen in en om het huis van het ernstig gewonde meisje en de begeleidster. Dat klinkt sympathiek. Maar is dat ook nodig? De oorzaak van het ongeval is nog niet bekend, maar veel keus is er niet: of er was sprake van een gebrek aan de stint of de bestuurster heeft een fout gemaakt. In beide situaties zal de WAM-verzekeraar van de stint voor de schade aan de kinderen moeten opkomen. Dat die WAM-verzekeraar mogelijk verhaal heeft op de fabrikant als de oorzaak bij de stint zelf blijkt te liggen, is voor de slachtoffers niet zo relevant.

De schade van de bestuurster zelf valt in elk geval niet onder de WAM-verzekering. Maar – denk aan het Arena-arrest – daarvoor behoort haar werkgever een adequate voorziening te hebben getroffen. Met daarbij de wetenschap: dat geldt vooral als het ongeval aan haar te wijten was. Als het aan de stint lag, kan ook de bestuurster bij de (AVB-verzekeraar van de) fabrikant terecht.

Kortom: voor de schade van de slachtoffers is dat kwart miljoen niet nodig. En dat is maar goed ook, want het is nog maar de vraag of dat bedrag wel toereikend is voor de totale schade. Maar wat dan? Het zal vast niet de bedoeling van de schenkers zijn geweest dat hun giften worden gebruikt om de begrafeniskosten te betalen, zodat de WAM-verzekeraar dat niet meer hoeft te doen. Hetzelfde geldt voor de vergoeding van de letselschade van de twee andere slachtoffers. Ook die kosten, incl. de eventuele kosten voor woningaanpassingen, behoren bij de reguliere schade die na een letselschade te claimen valt.

Misschien is het nog het meest passend het kwart miljoen aan de ouders van de kinderen aan te bieden. Hun leed is onvoorstelbaar, terwijl de recent afgesproken regeling voor vergoeding van affectieschade nog niet van kracht is. Maar dat had dan beter vooraf aan de gulle gevers verteld kunnen worden.

Onvoorziene schade en niet-bestaande samenloop

Het imago van het verzekeringsbedrijf laat nog steeds te wensen over. Dat is jammer en goeddeels onverdiend. Maar soms is wel begrijpelijk hoe dat komt.

De klant had door een timmerman een lichtkloof in zijn keuken laten plaatsen. Bij het bevestigen daarvan met een slagplug had de timmerman zonder het te merken door de standleiding geboord. Stom misschien, maar ook een timmerman kan fouten maken. De fout viel pas later op toen er na gebruik van de bovengelegen badkamer een beperkte hoeveelheid water langs de keukenmuur liep. De klant meldde de schade (ongeveer € 1.600,-) bij zijn woonhuisverzekeraar.

De verzekeraar wees de schade af. In eerste instantie omdat de schade niet voldeed aan het criterium ‘onvoorzien uitstromend’. Want als je een gat in een afvoerleiding boort, is het voorzienbaar dat daar water uit gaat stromen. Een paar brieven en e-mails later voegde de verzekeraar daar een tweede afwijzingsgrond aan toe. De polisvoorwaarden bevatten ook een na-u-clausule (non-contributionclause). Een dergelijke clausule houdt in dat de verzekering geen dekking biedt als de schade ook gedekt is door een andere verzekering. Die andere verzekering is er, aldus de verzekeraar, daarbij verwijzend naar de AVB van de timmerman. De klant moest zijn schade daar maar gaan verhalen, vond de verzekeraar. De verzekeraar voegde daar (overigens geheel onjuist) nog aan toe dat hij, de verzekeraar, bij een onverplichte uitkering geen verhaalsrecht op de timmerman zou hebben.

Zoals te verwachten maakt het Kifid korte metten met deze wijze van schadebehandeling. Natuurlijk is het voorzienbaar dat er water uit een afvoerleiding stroomt als je daar een gat in boort. Als de verzekerde het gat zelf zou hebben geboord, had je wellicht kunnen discussiëren over de vraag hoe voorzienbaar het voor hem was dat de standleiding op die plek in de muur zat. Maar de verzekerde had niet zelf geboord; een timmerman had dat gedaan. En bij het criterium ‘onvoorzien’ gaat het natuurlijk over de vraag of er voor de verzekerde sprake is van een onvoorzien uitstromen. Wat het beroep op de na-u-clausule betreft, wijst het Kifid er op dat die betrekking heeft op samenloop van verzekeringen die hetzelfde belang dekken. Daarvan is hier geen sprake. De woonhuisverzekering dekt het eigenaarsbelang van de klant; de AVB dekt het vermogensbelang van de timmerman. Het Kifid had daar nog aan toe kunnen voegen dat een verzekeraar die een schade wil afwijzen zich in één keer op alle afwijzingsgronden moet beroepen en niet kopje-over spelen door steeds weer een nieuw argument te noemen. De verzekeraar moet de schade dus alsnog betalen.

Maar waar ik me het meest over verbaas: voordat een zaak bij het Kifid komt, moet de interne klachtenprocedure bij de verzekeraar zelf gevolgd zijn. Dat een schadebehandelaar zulke fouten maakt, snap ik al niet, maar ontbreekt al deze basale kennis nu ook bij leidinggevenden en klachtenbehandelaars van deze verzekeraar? Gelukkig zijn er naast opleidingen voor verzekeringsadviseurs ook opleidingen voor schadebehandelaren.

Regels en protocollen

Vorige week stond in de Volkskrant een artikel over een jongetje dat geprobeerd had iets onbenulligs te stelen in de supermarkt. Mag natuurlijk niet. Vervolgens was dat jongetje door de politie meegenomen en had een flink aantal uren in de cel gezeten. Want dat moet nu eenmaal volgens het protocol ‘Niemand weg zonder overleg’. Daarbij kunnen kinderen maximaal 9 uur worden vastgehouden om alle bureaucratische formaliteiten af te wikkelen. Het jongetje kwam er vrij getraumatiseerd uit. Omdat niemand gelukkig is met die situatie vindt er nu een proef plaats waarbij (zoals vroeger) de politie zo’n kind ook een strenge reprimande mag geven. Let op het woord ‘mag’; dus niet ‘moet’. De politie heeft beleidsvrijheid; denk aan veelplegertjes.

Een pagina verder in dezelfde krant stond een artikel over een kokkelvisser, een kaasmaker en een kleine kippenfokker. Voor alle drie gold dat zij zich richtten op kleinschalige ambachtelijke productie van unieke levensmiddelen. En voor alle drie gold dat zij daarmee gingen stoppen. Het voldoen aan alle regels en protocollen van vergunningen en keuringsinstanties met bijbehorende verplichte administratieve vastlegging van gegevens was onbetaalbaar geworden. Dat is alleen nog betaalbaar als je 100.000 kilo van dezelfde kaas of 100.000 kippen van dezelfde soort op de markt brengt. Bijzondere producten gaan daarmee verloren. Misschien voorgoed.

Aan bovenstaande voorbeelden kun je makkelijk een rijtje toevoegen van regels en protocollen waar de zorgsector, het onderwijs en tal van andere bedrijfstakken last van hebben. En uw eigen bedrijfstak natuurlijk. Het is geen toeval dat steeds meer kleine en middelgrote verzekeraars verdwijnen en dat ook in het intermediaire bedrijf steeds minder kleinbedrijf te vinden is. Met al die regels en protocollen wordt het werk er niet leuker op. Erger is dat deze ook leiden tot een verschraling van het aanbod voor de consument. Soms zelfs zoveel dat de maatschappij als geheel daar last van heeft. Daar schreef ik een kleine twee maanden geleden al een stukje over op het platform Flink (zie hier) en gisteren kon u daarover ook lezen in het FD.

Maar hoe los je dat nu op? Het is veel te makkelijk om te zeggen dat alle regels en protocollen maar afgeschaft moeten worden. Protocollen zijn buitengewoon handig en (of u het nu leuk vindt om te lezen of niet) veel regels zijn nodig geworden door een gebrek aan zelfbeheersing en fatsoen. Maar veel regels en protocollen zijn er ook omdat die nu eenmaal zo makkelijk zijn. Makkelijk voor de financieeldienstverlener en makkelijk voor de toezichthouder. De financieeldienstverlener die precies wil weten waar hij zich aan moet houden (en dus de grens daarvan kan opzoeken). En de toezichthouders die precies kunnen aangeven waar een eventuele grens is overschreden (en dus een sanctie kunnen opleggen).

Maar dat je als bank, verzekeraar of intermediair een grens op kúnt zoeken, betekent natuurlijk niet dat je dat ook móet doen. En volgens mij leggen de toezichthouders, zeker de AFM, sancties alleen op als uiterste middel.

Daar ligt dus wel een oplossing. Voor veel regels geldt ‘pas toe of leg uit’ (comply or explain). Zeker in de financiële dienstverlening wordt veel te weinig gebruik gemaakt van dat ‘leg uit’. Waarschijnlijk uit een ongerechtvaardigde angst dat de toezichthouders een fatsoenlijke, redelijke uitleg niet accepteren. Dat is jammer. Juist professionele beroepsbeoefenaren moeten weten waar redelijke en fatsoenlijke grenzen liggen. Zolang die redelijkheid en dat fatsoen niet gepasseerd worden, hebben toezichthouders geen reden tot ingrijpen. Zeker niet als de klant en/of de maatschappij daar hinder van zouden hebben.

Regels en protocollen zijn reuze handig. Maar horen wel ten dienste van de maatschappij te staan en niet daar juist een belemmering voor te zijn.

Wft- en PE-examens: een tijdelijk dalende lijn?

Het gemiddelde slagingspercentage van de PE-examens is maar een klein beetje gezakt, maar vooral bij PE-Schade particulier is er een waar slagveld. Het geslaagdenpercentage zakte maar liefst met 19,1% (naar 73,9%). Ook triest, maar iets minder, zijn de cijfers van PE-Vermogen: 7,9% minder geslaagden (naar 74,3%). Bij de initiële examens kelderde het geslaagdenpercentage voor Pensioen met maar liefst 10% (naar 43,4%). U begrijpt het: het CDFD heeft de driemaandelijkse cijfers van initiële Wft- en Wft-PE-examens weer bekend gemaakt. Er is overigens ook positief nieuws. Het geslaagdenpercentage bij PE-Inkomen is juist 7,9% (naar 91,8%) gestegen.

De cijfers zijn extra interessant, omdat per 1 april alle examens gewijzigd (geactualiseerd) zijn. Dat verklaart waarschijnlijk de tijdelijke inzinking in de aantallen PE-examens. Explodeerde dat aantal nog in de maanden februari (7.420) en maart (17.102), in april legden slechts 1.803 kandidaten een PE-examen af. In mei trouwens alweer 2.909 en in juni 3.747. Na de zomer nemen die aantallen vast en zeker verder toe, met een waarschijnlijk ultieme explosie in maart 2019. Want hé, dat is echt de laatste maand van deze PE-periode.

Dus die explosie komt nog wel. Tot 1 juli zijn in totaal 56.019 PE-examens afgelegd. Dat resulteerde in 49.158 geslaagden. En dat terwijl er ruim 300.000 Wft-beroepskwalificaties zijn behaald. Nu betekent dat niet dat er nog zo’n 250.000 PE-examens succesvol moeten worden afgelegd, want niet voor elke beroepskwalificatie is een PE-examen nodig. Veel beroepskwalificaties vallen samen met 1 of 2 andere en het behalen van een hoger diploma (Schade zakelijk als je Schade particulier al hebt) geeft ook vrijstelling. Daarnaast hoeft PE-Basis niet meer te worden afgelegd. (19 kandidaten hebben dat de afgelopen maanden toch nog gedaan. Ik had al eerder geconstateerd: er zijn kandidaten die PE-examen willen doen, ook al hoeven ze dat niet.) Ook voor Consumptief krediet is het PE-examen vaak niet meer nodig.

Maar ik sluit ook niet uit dat een aantal financieel-dienstverleners aan het voorsorteren is op een mogelijke aanpassing of zelfs afschaffing van het huidige PE-stelsel. Iets waarvoor zo ongeveer alle belangenorganisaties in de branche inmiddels pleiten. Het lijkt mij verstandig als diezelfde beroepsorganisaties hun leden/achterban erbij vertellen dat het onverstandig is om er nu al van uit te gaan dat hun pleidooi succes zal hebben. En als dat al het geval is: dan toch zeker niet vóór 1 april 2019 en waarschijnlijk zelfs niet voor 1 april 2022 (einde volgende PE-periode).

Ik hoop ook dat het CDFD snel op zoek gaat naar de oorzaken van de dramatische wijzigingen in de geslaagdenpercentages. De moeilijkheidsgraad van de Wft-examens hoort stabiel te zijn. De vaktechnische inhoud van de wijzigingen per 1 april zijn niet van dien aard dat deze de sterke daling kan verklaren bij PE-Schade particulier, PE-Vermogen en initieel Pensioen (en ook niet voor de stijging bij PE-Inkomen).

Wel of geen PE voor Consumptief krediet

De Wft-PE voor het diploma Adviseur consumptief krediet blijft de gemoederen bezig houden. En dan vooral de vraag of hypotheekadviseurs die PE nu wel of niet vóór 1 april 2019 moeten doen. Het antwoord is simpel: nee, dat hoeft niet. Jammer genoeg zorgt het CDFD voor verwarring.

Wat is het geval? Het Wft-vakbekwaamheidsbouwwerk wordt een beetje aangepast. Eén van die wijzigingen is dat vanaf 1 april 2019 hypotheekadviseurs ook mogen adviseren in consumptief krediet. Dus heb ik steeds betoogd: hypotheekadviseurs hoeven deze PE-periode geen PE voor het diploma Adviseur consumptief krediet meer te doen. Want:

  1. Het huidige diploma Adviseur consumptief krediet is geldig tot en met 31-3-2019.
  2. Vanaf dat moment hoeven hypotheekadviseurs alleen maar het diploma Adviseur hypothecair krediet te hebben om óók consumptieve kredieten te mogen adviseren.

Het CDFD zorgt voor verwarring met de mededeling dat hypotheekadviseurs die ook het diploma Adviseur consumptief krediet hebben tòch beide PE-examens vóór 1 april 2019 moeten behalen. Want, zo zegt het CDFD, ‘het is nog niet zeker of en op welke wijze deze regeling definitief wordt opgenomen in de wet- en regelgeving’. Dat is flauw. Dat is flauw omdat de minister de Tweede Kamer al heeft beloofd dat hij deze wijziging doorvoert. En omdat het wijzigingsbesluit waarmee dat gebeurt, al klaar ligt. Met als ingangsdatum 1 april 2019. De (verplichte) consultatieperiode is inmiddels afgelopen.

Het CDFD zegt ook: als je de PE voor het diploma Adviseur consumptief krediet niet doet voor 1 april 2019, verlies je de adviesbevoegdheid op grond van dat diploma. Dat klopt. Maar dat is dus niet erg. Want als je wel het diploma Adviseur hypothecair krediet hebt, mag je ook (na 1 april 2019) in consumptief krediet adviseren.

En stel, stel, stel…..: iemand heeft nu beide diploma’s en doet géén PE meer voor het diploma Adviseur consumptief krediet. Zolang hij de PE voor Adviseur hypothecair krediet blijft doen, is er niets aan de hand. Maar over 10 jaar bedenkt hij dat hij geen hypotheekadviseur meer wil zijn en dat hij alleen nog in consumptief krediet wil adviseren. Dan moet hij dus kiezen. Hij kan (1) PE blijven doen voor zijn diploma Adviseur hypothecair krediet. Of (2) de adviesbevoegdheid van dat oude diploma Adviseur consumptief krediet herstellen met een ‘bijzonder PE-examen’. (Voor de liefhebber: zie art. 11 lid 4 BGfo.)

Hopelijk bent u het met mij eens dat dit een te theoretische situatie is om te rechtvaardigen dat een hypotheekadviseur in deze PE-periode PE voor het diploma Adviseur consumptief krediet gaat doen. Want hoeveel hypotheekadviseurs zullen ooit besluiten alleen als consumptief-kredietadviseur verder te gaan?

En bovendien: hoe zeker is het eigenlijk dat over 10 jaar dit vakbekwaamheidsstelsel en de PE-examens nog bestaan?