De verzwijgingsregel en de politiek

Het is heel goed dat de politiek zich af en toe met de bedrijfstak bemoeit, maar toch niet altijd. Zeker als individuele kamerleden maatschappelijke misstanden menen te hebben ontdekt, blijkt regelmatig dat een beetje doordenken evenmin tot de vereisten voor het kamerlidmaatschap behoort als even nakijken of er een reden is dat het gesignaleerde probleem bestaat.

Er is één Tweedekamerlid dat er een gewoonte van heeft gemaakt met enige regelmaat het probleem aan te kaarten dat ex-gedetineerden zo lastig verzekeringen kunnen sluiten. Zo ook weer vorige week. Ik realiseer me trouwens dat dat inderdaad een probleem is. De vragen maken echter duidelijk dat dit kamerlid simpelweg niet snapt (wil snappen?) waarover het gaat. Het kamerlid vindt het onredelijk ‘als die verzekering niets te maken heeft met het feit waar zij voor veroordeeld zijn’. ‘Zij’ zijn dus die ex-gedetineerden.

Begin 2018 stelde hetzelfde kamerlid dezelfde vraag aan dezelfde minister. De minister heeft die vraag helder en met verstand van zaken beantwoord. Dat laatste ‘met verstand van zaken’ was wel prettig, omdat één van de voorgangers van deze minister bijna drie jaar geleden dramatisch de mist in ging bij dit onderwerp. Ook toen werd de vraag gesteld en die toenmalige minister bedacht als antwoord dat verzekeraars een ex-gedetineerden die wegens brandstichting was veroordeeld niet voor een autoverzekering zouden mogen weigeren en – omgekeerd – een ex-gedetineerde die wegens een verkeersmisdrijf was veroordeeld niet voor een brandverzekering. De minister zou dat aankaarten bij het Verbond en daarna hebben we daar gelukkig nooit meer wat van gehoord. Ik vermoed dat zijn ambtenaren die minister al voor de gang naar het Verbond hebben behoed, maar mogelijk was dat bezoek gepland ná zijn vervroegd aftreden.

Maar goed: in 2018 gaf de minister dus een helder en goed onderbouwd antwoord. Dat antwoord kwam er op neer dat de minister het onwenselijk zou vinden als verzekeraars ex-gedetineerden categorisch weigeren. Maar op basis van de aangedragen voorbeelden had de minister niet de indruk dat dat gebeurde. Daarbij wees de minister nog en passant op het bestaan van de Vereende als vangnet voor de werkelijk lastige gevallen. En ja, de minister zou verzekeraars nogmaals op het belang van mensen met een strafblad wijzen. Dat heeft ie vast gedaan.

Het is voor de minister vast moeilijk om nogmaals een antwoord voor de vragensteller te bedenken, waar deze tevreden mee is. Die vragensteller wil er nu eenmaal niet aan dat verzekeraars ook een inschatting maken (en moeten maken) van het morele risico. Veel delicten die tot gevangenisstraf leiden, zeggen nu eenmaal ook iets over de mate waarin de pleger bereid is rekening te houden met belangen van anderen in onze samenleving. Want dat zegt ook iets over de mate van mogelijk misbruik van een verzekering, dan wel schadekans.

En nee, zo’n delict hoef je niet levenslang mee te dragen. Maximaal 8 jaar, zo is de regel. En in de praktijk, ook afhankelijk van soort delict en soort verzekering, flink lager.

Advertenties

Wie mag zich straks ‘onafhankelijke adviseur’ noemen?

Straks heb je drie categorieën adviseurs: de onafhankelijke, de zelfstandige en de verkoopadviseur. Maar wie mag zich straks nu ‘onafhankelijk adviseur’ noemen? Ik voorzie discussie en vind dat de minister een kans mist..

De minister maakt duidelijk dat een onafhankelijke adviseur moet kunnen adviseren op basis van een objectieve analyse (en dus een toereikend aantal financiële producten moet vergelijken). Op zich al een norm die tot discussie kan leiden. Maar de minister noemt nog een tweede norm: de financiële producten mogen niet worden aangeboden door (1) de financiëledienstverlener zelf of (2) door ‘entiteiten die nauwe banden hebben met de financiëledienstverlener’. Zeker (2) zal er in het verzekeringsbedrijf inhakken. Want er zijn nogal wat intermediairbedrijven, waaronder beursmakelaars, die nauwe banden hebben met een volmachtbedrijf. In de provincie is die binding vaak zo nauw, dat alleen zaken uit het ‘eigen’ intermediairbedrijf in de volmacht komen.

Zijn al die intermediairbedrijven met een verwant volmachtbedrijf dan in één keer de titel ‘onafhankelijk adviseur’ kwijt? Nou nee, dat hoeft niet. Want, zo maakt de minister met een gemiste kans duidelijk: deze keurmerktitel van ‘onafhankelijk adviseur’ gaat alleen gelden voor ‘complexe financiële producten’. En verreweg de meeste schadeverzekeringen zijn geen complex product in de zin van de Wft. Ook de meest ingewikkelde op de coassurantiemarkt gesloten schadeverzekeringen niet.

Dus een intermediair mét volmachtbedrijf mag zich straks onafhankelijk (blijven) noemen, zolang hij er maar voor zorgt dat bij dat volmachtbedrijf geen pensioenverzekeringen, beleggingsverzekeringen, e.d. worden ondergebracht. Doet hij dat wel, dan moet dat intermediair, denk ik, duidelijk maken dat het voor die complexe producten ‘zelfstandig adviseur’ is. Tegelijk mag datzelfde intermediair zich voor alle andere producten wél ‘onafhankelijk adviseur’ blijven noemen (want: voor die producten is het gebruik van die benaming niet wettelijk gereguleerd). Alsof het nog niet onoverzichtelijk genoeg is voor de klant.

Een gemiste kans dus. Want ook voor andere (dan complexe) producten doen nauwe banden tussen aanbieder en adviseur afbreuk aan de onafhankelijkheid. Begrijp me goed: er is niets oneerbaars aan een eigen volmacht en zo’n nauwe band kán ook in het voordeel van de klant zijn. Dat kán. Maar juist dan kun je daar ook transparant over zijn. Want: waar volmacht, daar commissie en dus ook een eigen financieel belang bij de adviseur.

Ik pleit er voor dat de minister deze regeling niet beperkt tot complexe producten in de zin van de Wft. En tegelijk regelt dat het gebruik van die benamingen niet een vrijblijvende bevoegdheid is, maar een wettelijke plicht. Met voor elke categorie adviseur een mooi ikoontje op het briefpapier, dat duidelijk maakt om welke categorie adviseur het gaat. Zoals er ook een ikoontje is voor beleggingsrisico’s. Dat is voor de klant veel duidelijker en daar hoort het toch om te gaan.

 

Over oud en nieuw en over techniek

Eigenlijk had dit een oudejaarsblog moeten worden. Maar uitgerekend op de laatste dag van 2018 houdt mijn laptop er mee op. Helemaal onverwacht was dat niet. Het ding vertoonde al geruime tijd kuren. Soms had ik 10 pogingen nodig om ‘m op te starten. Soms liep ie halverwege de dag gewoon vast. Dan reageerde hij nergens meer op. Ja, op de uitknop, maar alleen als je die lang genoeg ingedrukt hield. En dan dus weer opstarten. Maar dit keer werkte ook dat niet. Mijn hoop was nog even gevestigd op de jongens van ict, maar ook die schudden meewarig het hoofd. Te oud, die laptop; geen eer meer aan te behalen.

Verzekeringstechnisch kun je dus ook niets met zo’n probleem. Oud, gebrekkig, slijtage, aan het eind van zijn verwachte levensduur en mogelijk daar al aan voorbij. Dat is geen onzeker voorval meer en ook geen eigen gebrek. Hooguit een ‘uit de aard der zaak zelve voortspruitende’ oorzaak. Iedere medewerker in het verzekeringsbedrijf weet dan wel hoe laat het is.

Het voordeel van zo’n aangekondigde dood is dat ik er op voorbereid was. Er stond al geen informatie meer op de harde schijf, die niet óók ergens anders stond. Maar toch komt zo’n definitief einde nog onverwacht. Ook het moment waarop is ongelukkig, maar dat komt omdat er nu eenmaal geen momenten zijn, waarop zo’n uitval wel gelukkig is.

Dus nu zit ik op de eerste dag van het nieuwe jaar te wennen aan mijn nieuwe laptop; vers uit de verpakking. Volgens de jongens van ict een veel betere en veel snellere laptop met veel meer mogelijkheden. Ik geloof ze meteen. Maar ik verlang tegelijk een beetje terug naar die oude laptop met al zijn kuren, al is het alleen maar omdat sommige toetsen nu op een andere plek zitten. En die nieuwe mogelijkheden? Volgens mij had ook die oude laptop nog mogelijkheden die ik niet ontdekt had. Waarschijnlijk ook niet nodig had. Dat is niet uniek voor laptops. Zo ongeveer alle techniek die in en rond mijn huis staat, biedt meer mogelijkheden dan ik weet. En nog veel meer dan ik gebruik. Maar inderdaad: soms ontdek ik toevallig zo’n nieuwe mogelijkheid, die (ook soms) reuze handig blijkt. Ik verheug me er al op dat met de nieuwe laptop ook te gaan ervaren. Ik weet nu al: straks wil ik ‘m niet meer missen.

Het nieuwe jaar gaat ook vast nieuwe dingen brengen, die even wennen zijn. Nieuwe regelgeving, verrassende uitspraken van de Hoge Raad of van het Kifid, nieuwe financiële producten en diensten. Dingen die toegejuicht worden of juist weerstand ontmoeten. Maar vast en zeker dingen die uiteindelijk meer mogelijkheden bieden dan de dingen uit het oude jaar. Al is het vaak even zoeken.

En zo werd dit geen oudejaarsblog, maar een nieuwjaarsblog. Graag wens ik u een vredig nieuw jaar.

Ongelukkige samenloop of aansprakelijkheid?

Een ‘per ongeluk’ omgetrokken lamp en een Kifid, dat vindt dat de verzekerde niet aansprakelijk is. Dus stroomt een lange rij, goeddeels anonieme, reacties langs om daar schande van te spreken. Met (lichtpuntje) een enkeling die het Kifid gelijk geeft. Aansprakelijkheid blijft een moeilijk vak.

Even de feiten voor zover we die kennen. De verzekerde heeft een behandeling bij een huidinstituut gehad. Na de behandeling heeft zij nog even staan napraten. Bij dat napraten staat een Light Heat Energy-apparaat (op een verrijdbare tafel) al klaar voor de volgende klant. Als verzekerde weggaat, blijft de schouderriem van haar tas, bij het over haar schouder trekken daarvan, achter twee naast elkaar geplaatste lampen van dat apparaat hangen. Beide lampen vallen; één van beide gaat kapot. Dure lampen kennelijk (want: € 66.000,-). Het instituut stelt verzekerde aansprakelijk en verzekerde voelt zich ook aansprakelijk. Maar – zoals ook het Kifid stelt – je aansprakelijk voelen is iets anders dan aansprakelijk zijn.

Aansprakelijkheid is een juridisch begrip. Eén van de gronden voor aansprakelijkheid (en wel de grond waar het hier om gaat) is: heeft verzekerde iets gedaan dat in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid. Iets gedaan dus, waarvan zij had moeten weten dat de kans op schade zo groot was, dat die wetenschap haar van die gedraging had moeten weerhouden. Excuus voor het formele taalgebruik. Deze uitleg is overigens niet van het Kifid, maar is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.

Het Kifid oordeelt (net als de verzekeraar) dat deze verzekerde niets heeft gedaan dat in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid: zij heeft gewoon haar tas opgepakt en over haar schouder getrokken. Met dat oordeel kan ik wel leven. Zeker nu het gaat om dergelijke kostbare apparatuur. Het instituut had er ook voor kunnen zorgen dat de verrijdbare tafel nog even buiten het bereik van verzekerde was gebleven.

Kortom: een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Zoiets gebeurt wel vaker. Iemand doet bij een bushalte een stapje achteruit als de bus aan komt rijden, heeft niet door dat iemand inmiddels kort achter hem staat en stapt daarbij op diens voet. Gevolg: letsel. Ook dat vond de Hoge Raad een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Iemand ‘per ongeluk’ schade toebrengen, betekent dus niet altijd aansprakelijkheid.

Maar de discussies op sociale media laten zien dat aansprakelijkheid echt een vak is, waarin je je moet verdiepen. Veel reacties zijn in de geest van: ‘dus als je het per ongeluk doet, is het niet gedekt, maar als je het opzettelijk doet ook niet, dus wat heb je dan aan een AVP?’ Inderdaad: opzet is een uitsluiting. Maar niet elke per ongeluk toegebrachte schade is een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

En dan de misvatting dat deze verzekerde niets aan haar AVP heeft. Want als het huidinstituut (dat zich natuurlijk niets van de Kifiduitspraak hoeft aan te trekken!) haar voor de rechter sleept, verzorgt haar AVP-verzekeraar het verweer. Hij betaalt daar alle kosten van. Die kunnen hoog oplopen. Blijkt uiteindelijk dat de rechter beslist dat verzekerde tóch aansprakelijk is (de rechter vindt het misschien geen ‘ongelukkige samenloop van omstandigheden’; ook redelijke mensen kunnen met elkaar van mening verschillen!), dan betaalt de verzekeraar naast al die kosten de schade alsnog. Daar kan geen AVP-premie tegenop. Een goed advies van een vakbekwame intermediair is bij zo’n schade ook zijn geld waard.

Krijgt Ratelband in hoger beroep gelijk?

Emile Ratelband heeft van de rechter zijn zin niet gekregen. Maar Ratelband zou Ratelband niet zijn als hij daar genoegen mee nam. In de uitspraak ziet hij allerlei aanknopingspunten voor een hoger beroep. Toch is het niet te hopen dat hij alsnog gelijk krijgt. Het verzekeringsbedrijf zou er dan namelijk een probleem bijkrijgen. En de oplossing is dan niet eenvoudig.

U kunt het nauwelijks gemist hebben. Emile Ratelband heeft voor de rechtbank geëist dat bij de burgerlijke stand zijn geboortejaar met 20 jaar wordt verhoogd. Hij is dan niet langer 69 (zoals nu), maar nog maar 49. Nu acht ik de kans niet zo heel groot, dat hij in hoger beroep wel gelijk krijgt. Maar toch: als u mij 10 jaar terug had gevraagd of ik het voor mogelijk zou houden dat de burgerlijke stand naast ‘man’ en ‘vrouw’ ook de geslachtsaanduiding ‘onzijdig’ zou kennen, had ik dat ook niet voor mogelijk gehouden. Tijden veranderen. Als je je (geboorte)geslacht kunt veranderen: waarom dan niet je geboortejaar?

Voor verzekeraars zou het een probleem zijn. Want Ratelband kan wel uitleggen dat hij met zijn wens dan ‘vrijwillig’ afstand doet van zijn AOW-uitkering doet, bij andere (sociale én particuliere) verzekeringen ligt dat anders. (Hij doet overigens geen afstand van een eventueel vervangende bijstandsuitkering.) Zo kent de AOV een leeftijdsafhankelijke premie én een eindleeftijd. Zou de AOV-verzekeraar die 4 jaar terug (bij 65) de AOV van Emile (Emile is zzp-er) tot een einde heeft zien komen, dat ding weer tot leven moeten roepen voor nog eens 16 jaar?

En hoe zit met de (leeftijdsgebonden) premie voor overlijdensrisicoverzekeringen? Nog lastiger: wat te doen met art. 7:982 BW? Dat niet zo heel erg bekende wetsartikel regelt specifiek voor levensverzekeringen dat de uitkering wordt aangepast als bij het overlijden blijkt dat de leeftijdsgebonden premie op de onjuiste leeftijd was gebaseerd. Voor overlijdensrisicoverzekeringen betekent een leeftijdsverlaging dan dat de uitkering flink hoger wordt. Dat is al een probleem, maar zie dat als verzekeraar ook maar eens in je Solvencyberekeningen mee te nemen.

Als het voor Emile mag, dan mag het natuurlijk voor iedereen. Dus ook voor mensen met een Wia-uitkering, die die uitkering wel eens aantrekkelijker zouden kunnen vinden dan de naderende AOW-uitkering. Ik weet het: ook (de advocaat van) Emile stelt de voorwaarde dat – net als bij geslacht – de nieuwe leeftijd moet passen bij het gevoel, bij het diepste wezen van de aanvrager. Dat kan een belemmering zijn voor een eventuele aanvrager. Maar: hoe ga je met die controle om? De begrippen ‘controle’ en ‘UWV’ schijnen sowieso al geen logische combinatie te zijn, maar ook voor particuliere verzekeraars is dat niet eenvoudig. Emile zegt zich werkelijk 49 te voelen. Maar wat zegt dat? U weet hoe het gaat. Je hoort vaak zeggen: ‘je bent zo oud als je je voelt’. Maar als je kritisch kijkt, weet je ook wie dat zeggen. Jongeren zeggen dat nooit. Die hebben dat niet nodig. Het ‘je bent zo oud als je je voelt’ wordt alleen maar gezegd door oude mensen. Ik weet er alles van. Iemand die zegt dat hij zich 49 voelt, is meestal flink wat ouder.

Officiële leeftijdsverlaging zou trouwens niet alleen een probleem voor verzekeraars zijn. Ook voor het intermediair voorzie ik problemen: hoe verhoudt deze mogelijkheid zich tot de zorgplicht? Moet je als verzekeringsadviseur bij je vergrijzende AOV-klanten nagaan of zij zich wellicht jonger voelen en dus in aanmerking zouden kunnen komen voor een premieverlaging?

Als leeftijdsverlaging mag, volgt al rap de vraag: mag leeftijdsverhoging ook? Vakbonden enthousiast natuurlijk: de problematiek van de AOW-grens en de ‘zware beroepen’ is dan meteen opgelost. en laten we eerlijk zijn: u en ik kennen toch allebei mensen die al begin 50 hartstochtelijk naar hun pensioen verlangen. Kortom: het verzekeringsbedrijf heeft belang bij de uitkomst van deze procedure. Ik zie nu al uit naar dat hogere beroep.

En u ziet: zelfs de krant lezen wordt leuker als je dat met enige verzekeringskennis doet. Daarom is het ook zo leuk om verzekeringscursussen te volgen bij instellingen waar medewerkers en docenten de krant lezen.

Een nieuwe Wft-PE-methode?

Met dank aan de IDD geldt voor feitelijk-leidinggevenden sinds 1 oktober weer een vakbekwaamheidseis. Ik zeg ‘weer’, want tot 1 januari 2014 gold voor die feitelijk-leidinggevenden al een vakbekwaamheidseis. Maar die werd afgeschaft. En nu weer ingevoerd. Bijna hetzelfde, maar niet helemaal.

Anders dan voor adviserende medewerkers geldt voor leidinggevenden geen diplomaeis. Tenslotte is de IDD een Europese richtlijn en in de EU zijn ze niet dol op diplomaeisen. Want die zouden dan in alle lidstaten moeten gelden. Eigenlijk is binnen de EU alleen onze minister van Financiën van de diplomaeisen. Maar ja: om nu met een diplomaeis te komen voor feitelijk-leidinggevenden, kort nadat hijzelf elke vakbekwaamheidseis voor feitelijk-leidinggevenden had afgeschaft, ging hem kennelijk ook te ver. Daarom is in de Wft alleen de minimumeis uit de IDD terecht gekomen. De feitelijk-leidinggevende moet vakbekwaam zijn, maar volgens een halfhartig soort open norm.

Hoe controleer je zo’n open norm zonder officiële toetsen of diploma’s? ‘Daar’, zo zal de minister glimlachend bedacht hebben, ‘hebben we gelukkig een toezichthouder voor’. En dus wordt er sinds 1 oktober in het BGfo rechtstreeks verwezen naar Bijlage 1 IDD, waar die vakbekwaamheidseisen in staan. Aangevuld met de mededeling dat die feitelijk-leidinggevenden ten minste 15 uur per jaar aan permanente educatie (PE) moeten doen. Die eis geldt zowel voor verzekeraars als voor bemiddelaars, maar voor verzekeraars geldt de aanvullende eis dat ‘alle relevante documentatie met betrekking tot de toepassing’ moet worden vastgelegd en bijgehouden. De minister kent zijn pappenheimers: vakbekwaamheid bij feitelijk-leidinggevenden is bij bemiddelaars doorgaans beter geregeld dan bij verzekeraars.

De AFM lijkt wat meer moeite te hebben met de invulling. Zij verwijst in haar factsheet naar de Wft-modules Basis, Schadeverzekering particulieren en Schadeverzekering zakelijk. Dat lijkt mij geen handig advies. Het moduul Basis is voor een belangrijk deel bancair (en dat is hier niet relevant). En in de beide schademodules staat niets over levens- en beleggingsverzekeringen. Terwijl het geen toeval is dat juist die onderwerpen ruwweg 2/3 van de IDD-vakbekwaamheidseisen uitmaken. De verkoopschandalen deden zich voor bij levens- en beleggingsverzekeringen, niet bij schadeverzekeringen. Dus lijkt het advies aan leidinggevenden om te kiezen voor een brede verzekeringsopleiding toekomstbestendiger.

Waar ik wel benieuwd naar ben: hoe effectief is het stellen van een urennorm voor de PE? Gaat dat er niet aan voorbij dat ‘leren’ iets is, dat een professional elke dag doet? Vaak zelfs onbewust? En is de hoeveelheid tijd die nodig is voor PE niet heel erg afhankelijk van het vakgebied waarin je leiding geeft? Moet elke feitelijk-leidinggevende zijn PE-uren zelf in een excelsheet gaan bijhouden? Doet HRM dat? Hoe?

Maar vooral, als de minister vertrouwen in deze methode heeft: waarom dan niet de PE-examens voor adviserende medewerkers ingeruild voor dit systeem?

De stint en de inzamelingsactie

Sommige ongevallen zijn zo afgrijselijk dat er nauwelijks woorden te vinden zijn om het leed van de betrokkenen te beschrijven. Het ongeval met de stint is daar één van. Natuurlijk is het goed als de samenleving daar met medeleven, warmte en empathie op reageert.

Toch vraag ik me van sommige reacties af of die bijdragen in deze specifieke situatie. Eén daarvan is de geldinzamelingsactie. Natuurlijk goed bedoeld. En met resultaat: ruim een kwart miljoen binnen de week. Maar waarvoor?

Het geld is bedoeld, zo zeggen de initiatiefnemers, om de uitvaarten te financieren van de vier overleden kinderen en voor eventuele aanpassingen in en om het huis van het ernstig gewonde meisje en de begeleidster. Dat klinkt sympathiek. Maar is dat ook nodig? De oorzaak van het ongeval is nog niet bekend, maar veel keus is er niet: of er was sprake van een gebrek aan de stint of de bestuurster heeft een fout gemaakt. In beide situaties zal de WAM-verzekeraar van de stint voor de schade aan de kinderen moeten opkomen. Dat die WAM-verzekeraar mogelijk verhaal heeft op de fabrikant als de oorzaak bij de stint zelf blijkt te liggen, is voor de slachtoffers niet zo relevant.

De schade van de bestuurster zelf valt in elk geval niet onder de WAM-verzekering. Maar – denk aan het Arena-arrest – daarvoor behoort haar werkgever een adequate voorziening te hebben getroffen. Met daarbij de wetenschap: dat geldt vooral als het ongeval aan haar te wijten was. Als het aan de stint lag, kan ook de bestuurster bij de (AVB-verzekeraar van de) fabrikant terecht.

Kortom: voor de schade van de slachtoffers is dat kwart miljoen niet nodig. En dat is maar goed ook, want het is nog maar de vraag of dat bedrag wel toereikend is voor de totale schade. Maar wat dan? Het zal vast niet de bedoeling van de schenkers zijn geweest dat hun giften worden gebruikt om de begrafeniskosten te betalen, zodat de WAM-verzekeraar dat niet meer hoeft te doen. Hetzelfde geldt voor de vergoeding van de letselschade van de twee andere slachtoffers. Ook die kosten, incl. de eventuele kosten voor woningaanpassingen, behoren bij de reguliere schade die na een letselschade te claimen valt.

Misschien is het nog het meest passend het kwart miljoen aan de ouders van de kinderen aan te bieden. Hun leed is onvoorstelbaar, terwijl de recent afgesproken regeling voor vergoeding van affectieschade nog niet van kracht is. Maar dat had dan beter vooraf aan de gulle gevers verteld kunnen worden.