Discriminerende banken of dubieuze taalspelletjes

Je hebt vragen die iemand in een kwaad daglicht stellen al vóór het antwoord is gegeven. Zoals: ‘Hoe vaak slaat u uw vrouw?’ De Tweede Kamerleden Alkaya en Van Kent houden niet zo van banken en doen iets soortgelijks als zij de minister van Financiën vragen stellen over ‘discriminatie door de financiële sector’.

De vragen bleken ingegeven te zijn door een uitspraak van Kifid. Een bank had een klant een bepaalde kredietfaciliteit geweigerd. Die specifieke kredietfaciliteit stelde de bank aan klanten ouder dan 61 jaar niet meer beschikbaar vanwege de (meer) onzekere inkomenssituatie en haar zorgplicht overkreditering te voorkomen. Kifid had de klacht terecht afgewezen. Onderscheid maken naar leeftijd is bij kredietverlening niet in strijd met de wet en in dit geval ook niet in strijd met de redelijkheid. ‘Leeftijdsdiscriminatie’, zo zeiden de heren Alkaya en Van Kent, waarmee ‘het vertrouwen in de financiële sector is aangetast’.

De vraag is wat je met de term ‘discriminatie’ bedoelt. Feitelijk betekent ‘discriminatie’: het maken van onderscheid. Dat doet iedereen iedere dag en dat is niet verboden. Ook onderscheid maken naar leeftijd is niet verboden. Verzekeraars doen dat nog vaker dan banken. Elke levens- en AOV-verzekeraar maakt onderscheid naar leeftijd. Sommige autoverzekeraars accepteren geen verzekeringsaanvragen van verzekeringnemers onder de 24 of boven de 70 en als zij dat wel doen, dan gelden al snel andere tarieven. Verzekeren is gebaseerd op het solidariteitsbeginsel, maar evenzeer op het afbakenen van gelijksoortige risico’s. De overheid maakt misschien nog wel het meeste onderscheid naar leeftijd: stemrecht, leerplicht, minimumloon, AOW: allemaal leeftijdsgebonden. Daar is dus niets onfatsoenlijks, laat staan onrechtmatigs aan.

Maar maatschappelijk heeft het woord ‘discriminatie’ zijn neutrale betekenis van ‘onderscheid maken’ verloren. Iemand die het woord discriminatie gebruikt, suggereert dat er een onrechtmatig, een verboden onderscheid wordt gemaakt. Dat doen beide Tweede Kamerleden hier en dat vind ik onfatsoenlijk. Van mij mogen zij vinden dat onderscheid maken naar leeftijd ongewenst is, maar dat is iets anders als suggereren dat het hier onrechtmatig gebeurt. Als iets wat wettelijk verboden is. Dat is een Trump-techniek.

De minister laat het gladjes van zich afglijden. Hij is tegen elke vorm van discriminatie, zo laat hij weten en met hem het gehele kabinet. En nee, deze uitspraak wordt niet betrokken bij de lopende evaluatie van Kifid, want die evaluatie ziet niet op de inhoudelijke juridische beoordeling door Kifid in individuele zaken.

Als laatste (prachtig, prachtig): de minister laat beide heren weten een beroep op banken te doen ‘om oog te hebben voor de menselijke maat door samen met de klant te kijken wat er wél mogelijk is op basis van de individuele situatie’.

Uitzendkrachten en motorrijtuigen: een gevaarlijke combinatie

Het subrogatie-artikel (7:962 BW) beperkt in bepaalde gevallen het regresrecht van verzekeraars op werkgevers. Die beperking geldt alleen voor de formele werkgever. Niet voor de materiële werkgever. Maar welke verzekering dekt dan zijn schade?

Eerst even de casus. Een uitzendkracht loopt letsel op als hij met een vorkheftruck een stuurfout maakt. De Arbeidsinspectie oordeelt vervolgens bij een onderzoek dat er (ook) sprake was van een onveilige werksituatie. Dat maakt de werkgever aansprakelijk. De persoonlijke schade van de uitzendkracht wordt vergoed op een door de werkgever gesloten SVI. De medische kosten van de uitzendkracht zijn betaald door zijn zorgverzekeraar. Die zorgverzekeraar neemt verhaal op de werkgever. Die denkt: ik ben goed verzekerd, dus geen probleem. Maar dat probleem is er wel.

De WAM-verzekeraar vergoedt de schade niet: schade aan de bestuurder van het motorrijtuig is uitgesloten. De AVB-verzekeraar ook niet: schade door of met motorrijtuigen is uitgesloten. Ook de 7-611-clausule op de AVB helpt niet, want de werkgever is niet aansprakelijk op grond van art. 7:611 BW (goed werkgeverschap), maar op grond van 7:658 BW (veilige werkomstandigheden). En die twee aansprakelijkheidsgronden sluiten elkaar uit. De SVI vergoedt de schade ook niet: die dekt alleen de persoonlijke schade van de werknemer; schade die juist niet door een verzekering is gedekt. Kortom: de werkgever is wel aansprakelijk, maar geen enkele verzekering dekt de schade. Verhaal op het uitzendbureau heeft hij ook niet.

Het subrogatieartikel sluit regres op de werkgever uit om een verstoring van de arbeidsverhouding tussen werkgever en werknemer te voorkomen. Daarom, aldus de Hoge Raad in 2014, mag wel verhaal worden gepleegd op de materiële werkgever. Die heeft immers juist geen arbeidsverhouding met de uitzendkracht en dus kan die arbeidsverhouding ook niet verstoord worden. Gezien het aantal medewerkers dat op basis van flex, uitzend of pay-rolling één min of meer vaste materiële werkgever heeft, lijkt die uitspraak mij aan herziening toe. Maar zolang dat niet gebeurd is, kun je uitzendkrachten en andere medewerkers met vergelijkbare rechtspositie beter niet op het eigen terrein een motorrijtuig laten besturen. Tenzij ik iets geweldig over het hoofd zie.

Als je over het juiste gevoel voor humor beschikt, vind je het mogelijk grappig dat de Hoge Raad anders oordeelt bij een regresvordering voor loondoorbetaling. Daarbij stelt de Hoge Raad de formele werkgever wél op één lijn met de materiële werkgever. Toegegeven: voor loondoorbetaling geldt een andere regresbepaling (art. 52b ZW).

Nogmaals de e-bike en de AVB

Oók als een AVB-verzekeraar voor het begrip motorrijtuig verwijst naar de WAM, behoort hij tóch op te komen voor een schade veroorzaakt door een e-bike. Het zou jammer zijn als verzekeraars daar onduidelijk over blijven.

Op mijn vorige blog over dit onderwerp kwamen nogal wat reacties. Dat was mijn eigen schuld. Vooraf had ik een aantal AVB’s gecontroleerd en daarbij bleek dat geen van die AVB’s het begrip motorrijtuig verder omschreef. Inmiddels weet ik beter: er zijn óók AVB’s die voor het begrip motorrijtuig verwijzen naar de WAM. Hoe zit het dan met de dekking voor een schade veroorzaakt met een zakelijk gebruikte e-bike ( dus met een tot maximaal 25 km. per uur trapondersteunende fiets)?

Voorop: als een AVB géén definitie van het begrip motorrijtuig geeft, dan is er voor de verzekeraar geen ontkomen aan. Dan moet hij dekking verlenen, nu een e-bike géén motorrijtuig is in de zin van de WVW. Alleen als in een AVB uitdrukkelijk verwezen wordt naar het begrip motorrijtuig in ‘de WAM is discussie mogelijk. Die discussie moet volgens mij eindigen bij de vaststelling dat er ook dan dekking behoort te zijn.

Even terug de geschiedenis in. In de jaren 60 van de vorige eeuw kwam de WAM tot stand. In die periode hebben verzekeraars afspraken gemaakt over de grenzen van AVB’s en WAM-verzekeringen. Dit om enerzijds overlap in dekking en anderzijds juist het ontbreken daarvan te voorkomen. Denk aan afspraken inzake vervoerde en afgevallen lading, laden en lossen, aanhangwagens, e.d. Die afspraken, inmiddels meer dan 50 jaar oud, gelden nog steeds. Toegegeven, die afspraken gaan niet over e-bikes. Die bestonden nog niet. Als die wel zouden hebben bestaan, waren die zeker meegenomen. Want de bedoeling was om de dekking van de AVB en die van de WAM-verzekering naadloos op elkaar te laten aansluiten. Daarom worden sommige motorrijtuigrisico’s waarbij een WAM-verzekering ontbreekt (non owners liability bijvoorbeeld) nog steeds op elke fatsoenlijke AVB gedekt.

Dat ‘naadloos aansluiten’ is nog steeds uitgangspunt. Dat blijkt ook uit de toelichting die De Vereende geeft op de motorrijtuiguitsluiting in zijn AVB: ‘Omdat in Nederland verzekeringen verplicht zijn voor motorrijtuigen (auto, brommer, motorfiets) wordt de aansprakelijkheid voor schade die te maken heeft met motorrijtuigen niet verzekerd.’ Volgens mij staat daar impliciet dat er wel dekking is voor motorrijtuigen waarvoor die verzekeringsplicht niet geldt. Dat past ook bij de maatschappelijke functie van een AVB, zoals de Hoge Raad die op 30 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV1295) omschreef.

Want dat speelt natuurlijk ook een rol. Een e-bike is volgens de WAM (in afwijking van de WVW) dan wel een motorrijtuig, maar vervolgens ook het enige motorrijtuig dat (vanwege het geringe daaraan verbonden gevaar) is vrijgesteld van de WAM-verzekeringsplicht. Juist om die reden is de e-bike ook voor de AVP nooit een probleem geweest. En juist daarom hoort die dat ook op de AVB niet te zijn.

Zoals één van de terechte reacties op mijn vorige blog: ‘lieve mensen, we zitten toch niet te wachten op weer een nieuw verzekeringsproduct voor dit flutrisico.’

Zakelijk gebruikte e-bike valt gewoon onder de AVB

Ineens verschijnen overal berichten dat schade veroorzaakt met een zakelijk gebruikte e-bike niet onder de AVB valt. Ik geloof daar niets van.

De afgelopen periode hebt u het bericht op vele plaatsen kunnen lezen. Bij de NOS, bij Amweb en zelfs bij de Vereende en bij het Verbond. Het standaardverhaal is de pizzakoerier die op zijn e-bike iemand aanrijdt, die daar een dwarslaesie aan overhoudt. Omdat voor een e-bike geen WAM-verzekering hoeft te worden gesloten, maar de AVB ook geen dekking zou geven, gaat het pizzabedrijf failliet. Maar klopt het verhaal ook? Het lijkt mij niet.

De crux in alle verhalen is dat schade veroorzaakt met motorrijtuigen uitgesloten is onder de AVB. Dat klopt. Maar de e-bike valt niet onder die uitsluiting, want een e-bike is geen motorrijtuig. Kijkt u maar in art. 1 onder c. van de Wegenverkeerswet. Daar vindt u de definitie van het begrip ‘motorrijtuigen’ en daarin wordt een uitzondering gemaakt voor ‘fietsen met trapondersteuning’, oftewel e-bikes.

Hoe komt het misverstand dan in de wereld? Waarschijnlijk komt dat omdat de WAM een iets andere definitie van motorrijtuig heeft. De e-bike valt wel onder die definitie. Maar juist daarom – en dat is geen toeval – is in een apart besluit bij de WAM geregeld dat voor de e-bike geen verzekeringsplicht bestaat.

In alle AVB’s die ik ken, staat de standaarduitsluiting voor motorrijtuigen. Maar ik ken geen enkele AVB die het begrip ‘motorrijtuig’ verder specificeert. Als een AVB-verzekeraar een claim zou willen afwijzen onder verwijzing naar die motorrijtuiguitsluiting, moet hij wel waarmaken dat een e-bike een motorrijtuig is. Met de definitie van de Wegenverkeerswet in de hand valt dat niet vol te houden. De verzekeraar kan zich ook moeilijk beroepen op die iets ruimere definitie van de WAM, juist omdat diezelfde WAM op een andere manier die e-bikes uitzondert. En als er al ruimte voor twijfel zou zijn (wat ik niet geloof), dan geldt natuurlijk de voor de klant meest gunstige uitleg. Anders had de verzekeraar zijn voorwaarden maar begrijpelijker moeten maken.

Overigens: méér dan 50 jaar geleden maakten AVB-verzekeraars en WAM-verzekeraars al de afspraak dat de dekking van beide verzekeringen naadloos op elkaar zou moeten aansluiten. Volgens mij is ook die afspraak nooit gewijzigd.

 

Transparant opzeggen

Bij nagenoeg alle verzekeringen geldt dat de verzekeraar in bepaalde gevallen een opzeggingsrecht heeft. Maar hij moet de klant wel duidelijk laten weten waarom hij dat doet.

Toen ik nog niet zo lang bij een verzekeraar werkte, gebeurde het regelmatig dat een klant te horen kreeg dat de verzekering werd opgezegd om ‘verzekeringstechnische redenen’. Dat was een mooie opzeggingsgrond. Alles kon er achter schuil gaan, maar het ging natuurlijk vooral om zaken die zo vervelend overkwamen als je ze hardop zei. Denk aan de verzekerde die dronken achter het stuur zat, het (al dan niet aantoonbare) vermoeden van fraude, de inmiddels gedane ontdekking dat de verzekeringnemer zelf weliswaar niet op de zwarte lijst stond, maar haar echtgenoot wel. Of zo. Maar dat is toch wel lang geleden.

Al vele jaren gelden strengere regels voor de verzekeraar die een verzekering wil opzeggen. Natuurlijk moeten de opzeggronden in de polisvoorwaarden staan en bovendien moet de verzekeraar een gewichtige reden hebben om de verzekering op te zeggen. Vrijwel alle schadeverzekeringen bepalen dat verzekeraar en verzekeringnemer na een schademelding een opzegrecht hebben, maar voor de verzekeraar moet daar dus een extra reden bijkomen. Dat komt door de maatschappelijke gevolgen van een opzegging. De klant krijgt bij de aanvraag voor een nieuwe verzekering steevast de vraag of hem al eens een verzekering is geweigerd of opgezegd en als hij die vraag bevestigend beantwoordt, verliest de nieuwe verzekeraar ook meteen zijn enthousiasme.

Zo’n gewichtige opzegreden kan de schade-oorzaak zijn. Zo begrijp ik best dat de verzekeraar de verzekering van een bedrijfspand wilde opzeggen, nadat daar een explosief (hand- of fosforgranaat) naar binnen was gegooid met als resultaat een brandschade van meer dan een ton. Het naar binnen gooien van dat soort explosieven leidt immers tot het sterke vermoeden dat de activiteiten die in dat pand plaatsvinden, of waar in elk geval de verzekeringnemer zich mee bezig houdt, niet in de categorie vallen waarmee de verzekeraar bij het aangaan van de overeenkomst rekening had gehouden. Maar het is dan niet handig om de verzekering op te zeggen met als enige uitleg: ‘in verband met de bij de schadebehandeling geconstateerde bevindingen’.

Pas maanden later beargumenteerde de verzekeraar dat hij geen risico’s wenst te verzekeren, waarbij al dan niet voor de verzekerde bedoelde explosieven naar binnen worden gegooid. De kortgedingrechter vond dat te laat. Nu de verzekeraar de verzekering niet (deugdelijk) gemotiveerd had opgezegd, was die opzegging niet rechtsgeldig. De verzekeraar moet de verzekering met teugwerkende kracht herstellen en in stand houden zolang deze niet deugdelijk is opgezegd.

Waarschijnlijk had de verzekeraar bedacht dat de klant de niet-genoemde opzeggingsgrond ook wel zou begrijpen. Terecht waarschijnlijk. Maar als het zo begrijpelijk is: zeg het dan ook maar.

Thuis werken en het Arena-arrest

Er valt veel voor te zeggen dat een werkgever óók aansprakelijk is voor de schade van een thuiswerkende medewerker als die werkgever daar geen voorziening voor heeft getroffen. Een andere situatie dan bij het Arena-arrest, maar de omstandigheden zijn vergelijkbaar.

Art. 7:658 BW verplicht de werkgever te zorgen voor veilige werkomstandigheden voor zover de werkgever die omstandigheden kan beïnvloeden. Maar op de thuissituatie van een medewerker heeft de werkgever geen invloed. Natuurlijk: de werkgever kan de medewerker instructies geven hoe zo verantwoord mogelijk thuis te werken. Hij kan geschikt meubilair en geschikte apparatuur daarvoor ter beschikking stellen. Maar uiteindelijk blijft de thuissituatie buiten zijn invloedssfeer. Alleen al door ruimtegebrek zitten maar weinig medewerkers te wachten op arboverantwoord meubilair. En dan nog kunnen er problemen zijn met gebrekkige trappen, slechte verlichting en klimaatbeheersing en suboptimale apparatuur. Veel thuiswerkende medewerkers werken in situaties die bij elke RI&E als onhoudbaar zouden worden gekwalificeerd.

Omdat de thuissituatie buiten zijn invloedssfeer ligt, zal een werkgever niet snel aansprakelijk zijn op grond van onveilige werkomstandigheden thuis. Als een medewerker op kantoor uitglijdt over een onverwacht gladde vloer of van een gebrekkige trap valt, is de werkgever aansprakelijk; overkomt de medewerker datzelfde thuis, dan is de werkgever daarvoor niet aansprakelijk. Je zou dus kunnen zeggen dat thuis werken ook leidt tot minder werkgeversaansprakelijkheid.

Art. 7:658 BW geldt niet voor verkeerssituaties. De werkgever heeft tenslotte geen invloed op de verkeersveiligheid. Het gevolg daarvan was dat de werkgever wel aansprakelijk was voor de schade van de ene werknemer (de inzittende van de auto), maar niet voor de schade van de andere werknemer (de bestuurder), die zelf een verkeersfout had gemaakt. De gedachte achter het Arena-arrest was dat dat niet redelijk is . Daarom, zo oordeelde de Hoge Raad, heeft de werkgever de plicht om te zorgen voor een voorziening waar die medewerker aanspraak op kan maken.

Het lijkt mij dat de gedachte achter het Arena-arrest ook opgeld doet voor de medewerker die bij thuis werken schade lijdt. In beide gevallen gaat het om situaties waarin de werknemer zijn werkzaamheden verricht in opdracht van de werkgever. En voor beide situaties geldt dat de werkgever de veiligheid van de arbeidsomstandigheden niet of nauwelijks in de hand heeft en dat ook vooraf weet. Bovendien: als er al een veilig alternatief is voor thuiswerken, dan heeft de werkgever dat eerder in de hand dan de medewerker.

Het kan niet missen of er ontstaan thuiswerkschadegevallen waarbij de rechter gaat oordelen dat de werkgever niet op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is, terwijl – als dezelfde schade op kantoor was ontstaan – de werkgever wél aansprakelijk zou zijn geweest. Bijvoorbeeld door een verkeerde zit-/werkhouding of door simpel van een gebrekkige trap vallen. Juist ook omdat ‘werken vanuit huis’ naar het zich laat aanzien leidt tot forse financiële besparingen bij de werkgever, lijkt het mij dat het ‘goede werkgeverschap’ van art.7:611 BW vereist dat de werkgever daarvoor een voorziening treft. Ik voorspel dat rechters dat ook gaan vinden. Doet een werkgever dat niet, dan is hij op die grond aansprakelijk.

Je kunt er over twisten of een AVB dekking biedt voor dit soort vermogensschade. Het lijkt mij beter daar nu al afspraken over te maken.

Big data? Small data lukt al niet!

Het wil maar niet lukken. Klantbelang vraagt dat je wat van je klant weet. Big data en zo. Maar dan moet je dat vervolgens wel gebruiken. Anders wordt het wel heel stompzinnig.

Een klant ontvangt een brief van zijn bank. Daarin staat dat de klant een krediethypotheek bij de bank heeft, die over 10 jaar afloopt. De klant moet het openstaande kredietbedrag dan in één keer terugbetalen. Dus daar kan de klant beter nu al over nadenken. En, oh ja: dat totale hypotheekbedrag is € 0,01. Hoe klantgericht is dat?

De bank, ook deze bank, heeft een ICT-systeem. Regelmatig kunt u lezen dat deze bank vindt dat zij voorop loopt in de digitale wereld. Blockchain, big data, algoritmes; u noemt het en zij heeft het, doet het en gebruikt het. Maar toch speelt de bank het niet klaar om 2 eenvoudige gegevens aan elkaar te koppelen: (1) heeft de klant een krediethypotheek en (2) staat er nog een serieus saldo open? Zelfs met een ouderwetse kaartenbak (bent u jonger dan 40? Vraag even aan een oudere collega wat een kaartenbak is) was een dergelijke koppeling geen probleem.

De waarschuwingsbrief bevat ook verder enkele mededelingen die duidelijk maken dat niemand de moeite heeft genomen om te kijken naar de situatie van de klant. Zo wordt de fiscale situatie beschreven voor het geval de hypotheek na 2001 is gesloten of gewijzigd, terwijl de bank weet (nou ja: hoort te weten) dat de hypotheek vóór 2001 is gesloten en nooit gewijzigd. Ook wordt gewezen op een mogelijke inkomensdaling bij de pensioendatum. Maar uit de geboortedatum van deze klant (die heeft de bank natuurlijk ook) blijkt dat dát risico de komende 10 jaar echt nul is. Kortom: een onzinbrief.

Maar wel heel vriendelijk hoor. Er wordt een ‘gratis’ check aangeboden en een kosteloos telefonisch informatiegesprek. Ik begrijp van de klant dat die daar geen gebruik van gaat maken. Eigenlijk liet de klant weten dat zijn vertrouwen in deze bank weer wat minder is geworden. ‘Geldt daar een verbod op zelf denken?’ en ‘In ieder geval denken zij daar niet na over de klant en over wat ze aan het doen zijn?’

De klant liet ook nog weten dat de bank het mis heeft: het openstaande saldo is niet € 0,01. De hypotheek is geheel afgelost. Maar de hypotheek is nooit doorgehaald, want, aldus de klant ‘dat levert mij alleen maar nadelen op’. Maar kennelijk kan de bank (zo u wilt: het systeem) het uitstaande saldo alleen op € 0,00 zetten als de hypotheek wel wordt doorgehaald.

Tip voor de bank: met een kaartenbakkenkaart kan dat wel.

Kifid bedenkt zich terecht

De Commissie van Beroep van Kifid legt uit waarom de Wft geen basis is voor onbeperkt gratis financieel advies.

Er was veel gedoe over enkele uitspraken van de Geschillencommissie van het Kifid uit 2019. Daarin werd gesteld dat een adviseur/bemiddelaar een doorlopende plicht zou hebben om de klant te wijzen op premieverlagingen in de levensverzekeringsmarkt. Die plicht zou óók bestaan als de klant en de adviseur daarover géén afspraken zouden hebben gemaakt. En – zo voeg ik er even aan toe – als de klant voor een dergelijke doorlopende dienstverlening ook niet betaalde. De Geschillencommissie vond dat dat voortvloeide uit art. 4:20 Wft. Dat was merkwaardig, omdat diezelfde Geschillencommissie bij andere financiële producten dan overlijdensrisicoverzekeringen had geoordeeld dat een dergelijke plicht niet rustte op de aanbieder. En die informatieplicht van art. 4:20 Wft rust juist primair op de aanbieder. Daarmee creëerde de Geschillencommissie dus tegelijk een ongelijk speelveld tussen aanbieders en bemiddelaars.

Maar goed: de Commissie van Beroep legt het goed uit. De informatieplicht van art. 4:20 Wft behelst uitsluitend informatie over het specifieke product dat de klant heeft afgesloten. Als daarin relevante wijzigingen komen, moet de aanbieder of bemiddelaar de klant daarop wijzen. Een verdergaande adviesplicht bestaat alleen als daarover tussen de klant en die (bemiddelaar, aanbieder of) adviseur afspraken zijn gemaakt. En daar kan die (bemiddelaar, aanbieder of) adviseur natuurlijk een vergoeding voor bedingen. Goed advies is immers geld waard.

De Commissie van Beroep hanteert daarmee precies de argumenten die u mogelijk al had gelezen in het artikel ‘Zorgplicht-en-overlijdensrisicoverzekeringen’ in de Beursbengel van oktober 2019. Met deze gecorrigeerde beslissing lost het Kifid veel praktische problemen op.

Ja, natuurlijk blijft het van belang dat een adviseur ook tijdens de looptijd van een financieel product de vinger aan de pols houdt. Niet alleen omdat premieniveaus kunnen wijzigen, maar vooral omdat financiële producten vaak een lange looptijd hebben. Soms zelfs levenslang. Tijdens zo’n looptijd kunnen de omstandigheden aan de zijde van de klant sterk wijzigen. Daardoor kan de behoefte aan een financieel product wijzigen. Soms wegvallen. Soms leiden tot de noodzaak andere, uitgebreidere producten aan te schaffen. Maar in hoeverre die noodzaak bij een individuele klant bestaat, waaruit die doorlopende adviesplicht dan bestaat en hoeveel die klant bereid is daarvoor te betalen behoort tot het vrije domein van partijen. Adviseur en klant behoren daarover zelf duidelijke afspraken te maken.

Mooi dat de Commissie van Beroep het evenwicht tussen partijen – en tegelijk het gelijke speelveld tussen aanbieders en bemiddelaars – heeft hersteld.

Waarom erkent Kifid de klacht niet?

Elke advocaat en elke rechter kan u vertellen: de erkenning dat iemand onrecht is aangedaan, is voor betrokkene vaak belangrijker dan een schadevergoeding. Daarom is het jammer dat Kifid daar zo zuinigjes mee omspringt.

Tot 2006 kende het verzekeringsbedrijf een Raad van Toezicht. Die Raad kende maar één maatstaf waar hij zijn oordelen op baseerde: bepalend was of de verzekeraar ‘de goede naam van het verzekeringsbedrijf had geschaad’. Alleen als dat zo was, dan was de klacht gegrond. Anders dan nu Kifid (of een rechter) oordeelde die Raad dus niet of hij het met het standpunt van een verzekeraar eens was, maar alleen of dat standpunt ‘in rechte verdedigbaar’ was. Uitspraken hadden groot gezag.

Ik zou Kifid niet graag voor die oude Raad van Toezicht inwisselen. Daarvoor ben ik veel te blij met de ruimere bevoegdheden van Kifid, die wel mag beslissen over schadevergoedingen als zij vindt dat een financiële dienstverlener onjuist heeft gehandeld. Maar dat gezegd hebbend: ik vind het jammer dat Kifid zich bij zijn uitspraken nagenoeg uitsluitend laat leiden door de vraag of de klager financieel nadeel heeft geleden. Het begrip ‘klacht’ is tenslotte ruimer dan het begrip ‘vordering’. En de ‘k’ van Kifid staat toch echt voor …, ach: u weet het wel.

Toen een jaar of dertig geleden gewerkt werd aan een nieuw verzekeringsrecht, werd besloten daarin een bepaling op te nemen dat een erkenning van feiten geen reden voor een aansprakelijkheidsverzekeraar mocht zijn om dekking te weigeren. Zelfs een erkenning van aansprakelijkheid mag geen reden zijn dekking te weigeren, als blijkt dat die erkenning terecht is. Die bepalingen hadden een achtergrond. Vooral in de medische sector was het adagium: ‘nooit toegeven als je iets fout hebt gedaan, want dat mag niet van je aansprakelijkheidsverzekeraar. Als je dat toch doet, kun je geen rechten meer ontlenen aan je aansprakelijkheidsverzekering’. Overigens, ook elke autobestuurder leerde: ‘geen fout toegeven, want dat mag niet volgens de polisvoorwaarden’.

Zo klantonvriendelijk als artsen en autobestuurders dachten zijn verzekeraars volgens mij nooit geweest, maar dat neemt niet weg dat die gedachte wel degelijk bestond. En zeker bij medische aansprakelijkheid een hindernis voor de schaderegeling bleek. En vaak nog blijkt, want misverstanden en vooroordelen zijn hardnekkig. De patiënt wil vooral horen dat de arts een fout toegeeft en die arts duikt. Dat werkt leedverhogend. Daarom kwamen dus die nieuwe bepalingen in het verzekeringsrecht. Ik heb dat wel eens aan artsen uitgelegd en die blijken steevast stomverbaasd dat zij echt eerlijk tegen hun patiënten mogen zijn als zij een fout hebben gemaakt.

Terug naar het Kifid. Soms hebben klagers alleen klacht. En soms constateert Kifid zelf dat de financiële dienstverlener niet heeft gehandeld zoals je van een financiële dienstverlener mag verwachten. Excuses kun je niet afdwingen; afgedwongen excuses zijn niet veel waard. Maar Kifid kan wel vaststellen dat het behoorlijk zou zijn geweest als de financiële dienstverlener excuses zou hebben aangeboden. Ik wil er voor pleiten dat Kifid dat duidelijker in zijn samenvattend eindoordeel verwerkt. Er staat niets in het reglement van Kifid dat verhindert dat zij ook een dergelijke tuchtrechtuitspraak doet.

Daarmee doe je ook meer recht aan de klager, die alleen maar wil horen dat zijn klacht terecht is.

Wanneer voldoet een aanmaning?

Wetten hebben een doel. De wetgever probeert dat doel met woorden duidelijk te maken. Maar wat is uiteindelijk dan beslissend: de woorden of het doel? Daarover kunnen ook redelijk denkende mensen van mening verschillen en kan het gebeuren dat een rechter anders oordeelt dan Kifid.

Een klant betaalt zijn premie niet op tijd. Het Kifid oordeelt dat de verzekeraar aan zijn aanmaningsplicht heeft voldaan. Dus: geen dekking voor de schade. De rechtbank oordeelt anders: de aanmaning voldeed niet aan de wettelijke eisen. Dus: wel dekking. Een groot verschil. Met in beide gevallen een begrijpelijke motivering. De ene (Kifid) wat meer volgens het doel van de regels, de ander (rechtbank) wat meer volgens de letter. Wat was het geval?

De premie die de klant moet betalen loopt via automatische incasso. Maar elke afschrijving (maanden achter elkaar) wordt stelselmatig gestorneerd (door de klant teruggehaald). De klant ontvangt dan steevast een brief waarin staat dat de premie binnen 45 dagen na factuurdatum moet zijn betaald. Zo niet, dan vervalt de dekking. In die brief staat ook dat de verzekeraar na 5 dagen nog een keer probeert de premie te incasseren. Maar ook die tweede automatische incasso wordt door de klant gestorneerd. Dan, pak weg een maand na factuurdatum, ontvangt de klant de waarschuwing dat als de premie binnen ’14 dagen na dagtekening van de brief’ nog steeds niet is betaald de dekking vervalt. De klant betaalt dan meestal alsnog, maar wel vrij consequent (ruim) na die 14 dagen. Zo ook bij de laatste situatie. De verzekeraar stuurde op 1 juli zo’n laatste waarschuwing voor de premie met factuurdatum 29 mei. Toch betaalde de klant niet voor 14 juli maar pas op 21 augustus. Inmiddels was half juni een schade voorgevallen.

Het Kifid oordeelde dat de verzekeraar aan zijn aanmaningplicht had voldaan. De klant was er keer op keer op gewezen wanneer hij moest betalen en had toch elke keer de automatisch geïncasseerde premies gestorneerd. Zelfs na de 14-dagen-waarschuwing betaalde de klant pas na ruim 50 dagen. De rechter oordeelde anders. De wet bepaalt dat de wettelijk verplichte aanmaning na de vervaldag moet worden verzonden (dat was het geval) en dat de klant ná de dag van aanmaning nog 14 dagen de tijd heeft om te betalen. Omdat de verzekeraar die 14-dagentermijn liet ingaan op de datum dat de brief werd verzonden, voldeed deze niet aan de wettelijke vereisten. Zo’n brief ontvangt de klant pas op zijn vroegst na één dag en pas de dag daarna behoren die 14 dagen te gaan tellen.

Naar de letter heeft de rechter gelijk. Als de verzekeraar naar de letter zou hebben gehandeld, had hij de klant vanaf 2 of 3 juli 14 dagen de tijd moeten geven. En niet al vanaf 1 juli. Maar ja, dan had de klant dus tot 16 of 17 juli de tijd gehad om onder het verlies van dekking uit te komen. Nu de premie feitelijk pas na ruim 50 dagen werd betaald, hadden die 1 of 2 dagen meer echt geen verschil gemaakt. Dus valt er veel voor het standpunt van Kifid te zeggen. Kifid keek naar het doel van de wettelijke regeling.

Nog één misverstand ophelderend: de ‘vervaldag’ waar de wettelijke regeling over spreekt, is anders dan vaak gedacht wordt niet de premievervaldag. Praktisch alle verzekeringen kennen een respijttermijn van 30 dagen. De op 29 mei verschuldigde premie moest dus uiterlijk op 28 juni betaald zijn. Die 28 juni is de wettelijke vervaldag. Met een laatste aanmaning per 1 juli voldeed de verzekeraar dus aan die eis.

Het zou mij niet verbazen als een hogere rechter (de verzekeraar kan nog in beroep!) de verzekeraar (en Kifid) gelijk gaat geven. Er zijn veel rechters die het doel van de wettelijke regels belangrijker vinden dan de exacte letter. Tegelijk zou ik als verzekeraar de tekst van de aanmaningsbrief toch maar aanpassen. Dat heeft die verzekeraar vast gedaan.